Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Morele pretenties

Moraal is in. Maar niet alleen in de politiek staan de normen en waarden hoog op de agenda. Ook in het bedrijfsleven lijkt er steeds meer aandacht te zijn voor normatieve vragen. De bedrijfsethiek, deze nieuwe loot aan de boom van kennis van goed en kwaad, floreert. Hoe deze ontwikkeling te beschouwen? Is het niet toe te juichen dat een wereld die beheerst lijkt te worden door winstwaarschuwingen, aandeelkoersen en groeimogelijkheden zich ook de morele maat wenst te nemen?

René ten Bos, pasbenoemd hoogleraar filosofie in verband met de bedrijfswetenschappen aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, is sceptisch. De hausse aan morele activiteiten binnen organisaties en bedrijven moet volgens hem met achterdocht bekeken worden. ‘Ik geloof niet zo in de morele kwaliteit van organisaties en al helemaal niet in het vermogen van de bedrijfsethiek hier wat aan te doen', zo luidt zijn pessimistische credo in zijn boek Rationele Engelen.

Ten Bos, die in veel van zijn publicaties de heilige huisjes in het land van managers omvergooit, stelt dat het minste wat een filosoof moet doen is de pretenties en de hooggestemde woorden van ethici te wantrouwen als het om bedrijfsmoraal gaat. Zij lijken veeleer de status quo, de modus vivendi van economische ondernemingen te bekrachtigen dan dat ze daadwerkelijk in staat zijn om het morele onbehagen dat in die ondernemingen bij medewerkers heerst stem te geven. ‘Ethiek werkt vaak legitimerend, sussend. Ze helpt om alle potjes die de bazen op het vuur hebben staan in bedwang te houden, niet te laten overkoken.' Maar noch de manager noch de ethicus zijn ondertussen in staat de mensen in een organisatie een moreel thuis te geven, een ethos. ‘Beiden kun je misschien het beste zien als de kapiteins van een dolend schip dat in geen eeuwigheid een haven heeft gezien en voor altijd een onbekende bestemming heeft. Geen enkel lid van de bemanning wil eigenlijk op het schip blijven. Het gaat er te hard aan toe, het leven is er kunstmatig, er is te weinig ruimte..., maar overboord springen zonder land in zicht is voor al deze mensen al evenmin een aantrekkelijke optie', zo vat de filosoof zijn kritiek beeldend samen.

Maar waarom is de ethicus dan tegenwoordig toch zo'n geziene gast in de bestuurskamers (de stuurhutten) van directies en management? Ten Bos: ‘Allereerst wil ik erop wijzen dat organisaties sowieso een sterke normatieve structuur hebben. Een bedrijf is altijd gericht op hoe het beter kan, zowel op het niveau van het bedrijf als geheel als op het niveau van de werknemer. Organisaties denken voortdurend in termen van vooruitgang en ontwikkeling, van hoe zou het moeten. Ze kunnen zich, uit de aard van de zaak, nooit tevreden stellen met hoe het is. In feite hebben bedrijven een belangrijk deel van de normerende taak overgenomen die vroeger aan kerken en scholen was voorbehouden. Het is in dit verband misschien niet toevallig dat de politieke partij die het meest de mond vol had van normen en waarden, de LPF, vooral een partij van ondernemers is.' Als de dominee van nu blijkt de bedrijfsethicus dus wonderwel in de moderne organisatiestructuur te passen.

De roep om ethiek komt echter ook voort uit specifieke overwegingen. Ten Bos: ‘Ethiek is noodzaak, en vaak een economische noodzaak. Het is een eis van de markt, van de publieke opinie dat bedrijven zich moreel kunnen verantwoorden. Denk aan het afzinken van de Brent Spar, de financiële schandalen, de bouwfraude, de behandeling van dieren ten behoeve van de vleesindustrie: daarin gaan morele catastrofes schuil die men niet zomaar kan laten passeren, wil men het vertrouwen en het krediet van de consument of burger niet verliezen.' Ethiek blijkt dan een vorm van crisismanagement te zijn. ‘Maar', zo vervolgt hij ‘dat neemt niet weg dat ethiek voor veel ondernemingen ook een soort luxe blijft. Dat zie je in economisch zwaardere tijden: de ethiek wordt dan even gemakkelijk weer in de ijskast gezet. Waar de beurswaarde sterk gevaar loopt, vertroebelt het zicht op morele waarden. Denk bovendien maar niet dat in een bedrijfje met vijf zes werknemers - en daarvan zijn er de meeste - tijd en geld is om serieus aan morele zelfanalyse te doen. De toko runnen, zorgen dat je overeind blijft in de concurrentiestrijd - dat is voor de meeste ondernemers de hoogste prioriteit. En in de bedrijven waar die tijd en dat geld er wel zijn, blijft zo'n analyse vaak het speeltje van de hogergeplaatsten in de organisatie. In de lagere echelons wordt men zelden geacht moreel mee te denken. Ik spreek vaak managers uit de middenkaders en dan hoor ik vaak deze klacht. Moreel beleid is meestal topdown vastgesteld.'

Over de inhoud van dat beleid moeten we ons niet al te veel illusies maken. ‘De moraal van een onderneming blijft meestal ondergeschikt aan de economische doelstellingen. Waar geld verdiend moet worden, is de morele opportunist nooit ver weg. Er is vaak sprake van een dubbele moraal. Een bedrijf dat goede sier maakt met een ethische handleiding hoe om te gaan met discutabele regimes in verweggistan kan tegelijkertijd zijn salesmanagers genadeloos afrekenen op de te behalen targets.' We moeten hier volgens Ten Bos echter niet moraliserend over doen. Nuchter constateert hij dat de harde werkelijkheid van vraag en aanbod zich niet ethisch laat gladstrijken. ‘Het getuigt van een gevaarlijke naïviteit te denken dat dat wel kan.'

Het is dan ook niet zozeer die werkelijkheid als zodanig waarop hij als filosoof zijn kritische pijlen richt. Veeleer stuit de ethische omgang met deze werkelijkheid hem tegen de borst. ‘De bedrijfsethiek wordt beheerst door de suggestie dat het goede gestuurd, gepland en georganiseerd kan worden.' Ze beoogt via rationeel-bureaucratische procedures en boekhoudkundige technieken de moraal van een onderneming te regelen. Daarmee past ze perfect binnen het controle- en beheersbaarheidsparadigma waar de manager zich aan vastklampt en kan ze zich verheugen in diens grote populariteit. 'Wist je dat er zelfs een ingewikkeld rekenkundige formule is ontwikkeld waarmee een bedrijf zijn mate van vrijgevigheid kan vaststellen in vergelijking met andere bedrijven?'

De makke van wat Ten Bos ‘de mechanisering van de moraliteit' noemt is dat zo stelselmatig morele ervaringen en emoties die binnen een organisatie de kop op steken worden weggedrukt. In een bedrijfsethiek van procedures, regels, codes en stakeholder-analyses is weinig ruimte voor existentiële twijfel en onzekerheid, voor gevoelens als verontwaardiging en angst, droefheid en verveling. Deze zogenaamd negatieve emoties zijn als zand in de overlevingsmachine, ze maken een soepel functioneren van het bedrijf lastiger. Ten Bos ziet de bedrijfsethiek vooral als een instrument om deze onvoorspelbare negativiteit uit de organisatie weg te nemen. ‘Ik beweer dat de technieken die door de bedrijfsethiek gebruikt worden niet zozeer gericht zijn op het voorkomen van ethische mislukkingen, ook al wordt dit vaak ter verdediging van de bedrijfsethiek aangevoerd, maar op het voorkomen van gevoelens van zelfwalging, melancholie en regelrechte wanhoop', zo heet het in Rationele Engelen. En nog pregnanter: ‘In zekere zin zou je kunnen stellen dat het hele project ‘bedrijfsethiek' erop gericht is om leden van organisaties het recht op ongelukkigheid te ontzeggen.'

Met deze forse kritiek gaat het Ten Bos er niet om de positieve betekenis van voor iedereen duidelijke vastgestelde regels en normen en van een procedurele afhandeling van problemen te ontkennen. ‘Ik ben niet tegen regels en het is goed dat er bureaucraten zijn die er geen probleem mee hebben hun morele individualiteit af te leggen bij de uitoefening van hun functie. De samenleving kan niet zonder.' Zijn punt ligt ergens anders. Het is de schreeuwerigheid van de bedrijfsethiek die hem tegenstaat. Haar veronderstelde monopolie op de moraliteit, haar ongerechtvaardigde optimisme om ‘het' van buitenaf in orde te maken, haar neiging om elke morele catastrofe met een gemaakt optimisme om te duiden tot een ethisch leermoment.

‘Om maatschappelijke en organisatorische problemen te lijf te gaan hebben we andere en betere manieren dan de bedrijfsethiek. Ik denk aan goede wetgeving, handhaving van juridische regels en de controle daarop' aldus Ten Bos. Hij pleit voor een andere, meer verstilde vorm van morele contemplatie. De erkenning dat het morele niet gemanaged kan worden moet daarbij voorop staan. De ethiek die hij voorstaat beweegt zich in de marge van het bedrijfsmatige systeem waarin men erop uit is zoveel mogelijk alles te controleren, te beheersen en te voorspellen. ‘Ik zoek naar de moraliteit die in het hart van personen huist en niet in externe regels en normen, een moraliteit die de mens in de functionaris en de werknemer zichtbaar maakt, een moraliteit die dubbelzinnigheid, gevoeligheid en onbestendigheid toelaat, en die zich niet met veel tromgeroffel aan het publiek presenteert.' De stille, marginale ethiek die deze moraliteit stem kan geven, legitimeert niet maar kritiseert. Ze heeft geen grote sussende woorden tot haar beschikking maar hooguit kleine gebaren. Ze roept de ervaring in herinnering dat wat ons leven betekenis geeft zich onttrekt aan planning en organisatie. ‘Ethiek zou niet primair moeten gaan om het vaststellen van normen maar om het vrijwaren van de abnormaliteit in de ‘normale' wereld van geld en nut, om het recht van spreken van diegene die het schip durft te verlaten ook als er geen land in zicht is.'

Verschenen in Volzin 4, 2003