Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Techniek als monster

Technologische ontwikkelingen zijn niet zelden aanleiding voor felle publieke discussies. Kernenergie, harttransplantaties, genetisch gemanipuleerd voedsel en medische voortplantingstechnieken werden of worden geenszins geruisloos opgenomen in het potentieel aan menselijke mogelijkheden. Integendeel, ze leiden tot scherpe controverses tussen voor- en tegenstanders. Hoe overtuigend de techneut en de wetenschapper hun waar ook aan de man brengen, de publieke en politieke opinie is en blijft vaak weerspannig. Tegenover enthousiasme en geruststelling staan verontwaardiging en verontrusting. Niet alles wat kan, mag kennelijk ‘zomaar' gebeuren. Wetenschappelijke en technologische innovatie, die zo wordt toegejuicht in onze cultuur, blijkt ook vaak hardnekkige gevoelens van wantrouwen, weerstand en weerzin op te roepen.

Waarom gaat de ontwikkeling en introductie van bepaalde technologieën gepaard met zulke heftige tegenstrijdige emoties - euforie en onbehagen, fascinatie en angst? Waarom is alleen een obscuur bericht over de eerste gekloonde mens al genoeg voor grote opwinding? En waarom wordt een techniek als de mobiele telefoon daarentegen wel zonder slag of stoot in het maatschappelijk verkeer opgenomen? Volgens Martijntje Smits, ingenieur en filosofe en als universitair docent verbonden aan de TU Eindhoven, ligt het antwoord op deze vragen besloten in ons begrip van de culturele orde. ‘Elke cultuur bestaat bij de gratie van algemeen gedeelde, vaststaande onderscheidingen, bijvoorbeeld tussen natuur en cultuur, man en vrouw, leven en dood, organisme en artefact, mens en dier, normaal en abnormaal, vuil en schoon. Door deze dichotomieën krijgt het samenleven structuur en betekenis en is de orde gewaarborgd. Sommige technologische ontwikkelingen schoppen deze orde echter in de war en dat zorgt voor verwarring, voor moreel onbehagen. Ze respecteren als het ware de grenzen tussen de culturele categorieën niet. Intuïtief zeggen veel mensen dan: dat mag niet, dat is een grens te ver.'

Zoals het een goede filosoof betaamt, laat Smits het niet bij deze abstracte constateringen. ‘Neem de recente ophef over het klonen van mensen. Die techniek tart de diepgewortelde opvatting dat een mens geen reproduceerbaar artefact is maar een levend organisme dat zich kenmerkt door uniciteit. Het tast de grens aan tussen wat door de mens gemaakt kan worden en wat aan de natuur overgelaten moet worden. En dat is voor veel mensen onacceptabel.' In een artikel in de Volkskrant (11-1-2003) naar aanleiding van het nieuws dat de eerste gekloonde baby het licht had gezien, zegt Smits' promotor Tsjalling Swierstra het zo: ‘Een ding produceer je, een kind ontvang je.' Maar het is juist deze overtuiging waaraan door een verregaande technologische manier van voortplanten voorbijgegaan wordt.

Ook de huiver voor genetisch gemanipuleerd voedsel wordt begrijpelijker als we de culturele dimensie van techniek in ogenschouw nemen. Deskundigen mogen wijzen op de grote voordelen van deze toepassing van de genbiologie voor de voedselvoorziening en de bestrijding van honger en (planten)ziektes in de armere delen van de wereld. Ze kunnen ons verzekeren dat niets erop wijst dat het eten van genefood schadelijk zou zijn voor de gezondheid. Maar niettemin blijven veel mensen, verenigd in milieu- en Derde Wereldorganisaties, zich fel verzetten tegen deze nieuwe concubine van techniek en voedsel, die op de langere termijn een gevaar geacht wordt voor het gehele ecosysteem. In haar proefschrift Monsterbezwering waarop ze het afgelopen najaar promoveerde laat Smits zien dat deze tegenstand terug te voeren is op een normatieve opvatting van de natuur - natuurlijk is goed, natuur stelt een morele grens. Dat genvoedsel gebaseerd is op onnatuurlijke soorten - dát vormt de achterliggende reden voor de afwijzing. ‘Het probleem dat mensen met genetisch gemanipuleerd voedsel hebben is dat het de cultureel verankerde natuur/cultuurverhouding ondergraaft', zegt Smits. Dat de sla wellicht langer vers is en de tomaten roder dan ooit zal de critici daarom niet milder stemmen en het publieke onbehagen niet wegnemen.

Om dit onbehagen te begrijpen voldoet de instrumentele opvatting van techniek niet, aldus Smits. Door techniek te beschouwen als een neutraal middel om door mensen bepaalde doeleinden te verwezenlijken, wordt de cultureel-normatieve impact van techniek aan het oog onttrokken. Wij doen niet alleen iets met techniek, de techniek doet iets met ons: ze verstoort de normale perceptie van de sociale werkelijkheid. Smits komt met een verrassende metafoor: ‘Technologieën verschijnen in dit geval als een monster, als een wezen dat niet thuishoort in een van de culturele categorieën maar juist kenmerken vertoont van twee categorieën die elkaar normalerwijs uitsluiten. Tegenstanders van genetisch gemanipuleerd voedsel spreken niet toevallig van Frankenstein Food.'

Met de monstermetafoor maakt Smits duidelijk dat nieuwe techniek in haar introductiefase niet alleen op haar technische onvolkomenheden moet worden beoordeeld maar ook op haar culturele inpasbaarheid. ‘Het monster ontstaat niet door technische fouten maar door een categoriefout. Of die techniek al dan niet ingang vindt, hangt dan ook niet op de eerste plaats af van technische verbeteringen maar van culturele aanpassingen.' Of we het gekloonde schaap Dolly ooit als ‘normaal' kunnen zien, valt daarom nog te bezien. Vooralsnog blijft het een vreemde eend in de culturele bijt.

Eens een monster altijd een monster? Smits antwoordt ontkennend. ‘De monsterachtigheid van techniek ligt niet eens en voor altijd vast. Integendeel.' Soms kan de techniek aangepast worden zodat ze nu wel binnen de culturele grenzen valt. De beeldvorming van de plastics kan volgens haar zo geduid worden. ‘Plastic afval had vanaf de jaren zeventig een duidelijke monsterstatus gekregen. Dat had te maken met de vermeende onnatuurlijkheid van plastic, dat niet zoals ander afval wilde verteren. Het werd door cultuurcriticus en schrijver Norman Mailer zelfs het kanker van de maatschappij genoemd. Door de introductie van biodegradeerbare plastics probeerde men het tij te keren. Het bedreigende karakter van plastic verminderde door het weer ‘natuurlijke' eigenschappen te geven.'

Van minstens even groot belang om techniekmonsters te bezweren acht Smits een andere strategie. ‘De centrale vooronderstelling van mijn monstertheorie is dat culturele categorieën en grenzen een conventioneel karakter hebben en veranderbaar zijn.' Het monster kan dus ook verdwijnen doordat de perceptie en interpretatie van culturele onderscheidingen verandert. Wat eerst onnatuurlijk is, en daardoor weerstand oproept en niet maatschappelijk acceptabel is, blijkt later de ‘natuurlijkste' zaak van de wereld te zijn.

Het gebruik van de computer is daar een mooi voorbeeld van. ‘In de jaren vijftig en zestig had de computer onmiskenbaar nog een monsterstatus. Artificiële intelligentie, een artefact dat kan denken: de vermenging van de categorieën 'mens' en 'machine' maakte de computer tot een geheimzinnig utopisch ding dat alleen door wetenschappers bediend kon worden, fascinerend en beangstigend tegelijk. Met de introductie van de PC begin jaren tachtig kwam de computer binnen handbereik van iedereen en verloor daardoor haar culturele vreemdheid. Het monster werd een huisvriend. De zintuiglijke en praktische domesticatie plaveide de weg voor de culturele domesticatie.'

Het is te begrijpen dat, waar die zintuiglijke toe-eigening ontbreekt, de publieke aanvaarding van een nieuwe techniek over het algemeen moeizamer zal verlopen, zo voegt Smits er in haar proefschrift aan toe. Aan de magnetron die een veel grotere invloed heeft op de eetcultuur dan de genetisch gemodificeerde voeding heeft men nooit een maatschappelijk debat hoeven wijden. Die voeding is in de ogen van de consument iets abstracts. De magnetron in de keuken is voor hem een gebruiksvriendelijk apparaat, zichtbaar en tastbaar, terwijl de genetische modificaties onzichtbaar en reukloos in zijn maag verdwijnen.

Door op het conventionele karakter te wijzen van de categorieën waarmee de mens orde aanbrengt in de veelheid van verschijnselen in de werkelijkheid neemt Smits kritisch afstand van hen die ‘de natuur', de natuurlijke orde opvoeren als moreel baken om nieuwe technologische ontwikkelingen af te wijzen. Deze zogenaamde naturalisten miskennen volgens haar dat ook dé natuur een sociale constructie is en niet zoals zij willen geloven een onwrikbaar gegeven geregeerd door biologische wetten. ‘Elk natuurbesef is een product van het samenspel tussen zintuiglijke ervaring en verbeeldingskracht', zo stelt ze. Wat natuur is, is cultureel bepaald, en daarmee veranderlijk.

Het naturalistische argument tegen een technologie als het klonen snijdt volgens haar geen hout. En inderdaad, op grond daarvan zou je de gehele medische technologie inzake voortplanting moeten verbieden. IVF en prenatale diagnostiek, maar ook het kunstmatig inleiden en het opwekken van de weeën via een infuus, inmiddels algemeen geaccepteerde manieren om te helpen bij de geboorte van een kind, zouden dan ook uit den boze zijn. Maar wie dit heden ten dage nog onverkort onderschrijft, voert een reactionair achterhoedegevecht en bruuskeert vele ouders met een kinderwens. Bovendien zullen de meeste naturalisten in barensnood maar wat blij zijn dat er een arts in de buurt is die zo nodig wil ingrijpen in de natuur.

Komt Smits met haar kritiek op het naturalisme daarmee niet automatisch terecht in het kamp van de natuursceptici die vaststellen dat de natuur een rekbaar begrip is dat in de loop van de geschiedenis voortdurend is bijgesteld en dat dus ook niet kan dienen als rem op technische ontwikkelingen? Ligt het niet juist in de natuur van de mens om telkens opnieuw zijn ‘natuurlijke' grenzen te overschrijden? Smits: ‘De natuursceptici hebben gelijk met de constatering dat grenzen niet vastliggen en culturele onderscheidingen bijgevolg steeds iets anders inhouden. Maar ongelijk als ze menen dat grenzen dan ook maar niet nodig zijn en we ons er niets van aan hoeven te trekken. Uit de vaststelling dat het natuurbegrip verschuift kun je niet afleiden dat we het ook steeds moeten verschuiven. Uit het feit volgt geen norm. De erkenning dat de natuur-cultuur-dichotomie, en de betekenissen en waarden die ermee verbonden zijn, niet voor altijd vaststaat, betekent niet dat zo'n onderscheid irrelevant is. Integendeel, een samenleving kan niet zonder.' Ze vindt het dan ook onterecht de publieke ophef over klonen af te doen als emotionele lafheid tegenover het onbekende. Alsof technologische grensoverschrijding op zichzelf al goed zou zijn. ‘Ik vind zeker dat we de morele intuïtie dat de mens met genetisch gemanipuleerd voedsel of met klonen een stap te ver gaat serieus moeten nemen. Niet omdat de natuurlijke orde door deze technieken op het spel zou staan, maar omdat die intuïtie ons dwingt na te denken over de vraag in wat voor maatschappij, in wat voor culturele orde we eigenlijk willen leven. Techniek moet niet alleen een zaak van wetenschappers en technologen zijn maar ook van verantwoordelijke burgers.'

Verschenen in Intermediair 19, 2003.
Martijntje Smits, Monsterbezwering; De culturele domesticatie van nieuwe technologie, Boom 2002, ISBN 9053528288