Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Een ethiek van de zorg - in prakijk gebracht

Sinds een jaar of vier brengt Jan Vorstenbosch eens in de twee weken een middag of avond door met Patrick, een psychiatrische patiënt. Ze gaan naar de film of het café, praten over het leven, spelen samen gitaar. Uit dit contact is zoiets als een vriendschap gegroeid. Enthousiast en tegelijk met enige schroom vertelt Vorstenbosch erover. Enthousiast omdat hij via deze vorm van vrijwilligerswerk een zin en betekenis vond die hij in zijn baan als academisch filosoof node miste. Met schroom omdat de intimiteit van de relatie zich niet leent voor al te veel vertrouwelijkheid. ‘Buiten mijn vrouw en kinderen ga ik met niemand zo intensief om als met hem. Ik zie en spreek hem vaker dan mijn beste vrienden. Het zou dan ook van weinig respect getuigen als ik tegen derden heel gemakkelijk over hem zou spreken.'

Een existentiële crisis vijf jaar geleden deed Vorstenbosch kiezen voor een ‘carrière' in de zorg. Aanvankelijk probeerde hij in de professionele sector binnen te komen. ‘Maar als universitair ethicus die niet wilde onderzoeken maar concreet zorg wilde geven en ervaringen wilde opdoen, klonk ik niet geloofwaardig.' Achteraf maar goed ook. ‘In het vrijwilligerswerk ben ik, met wat ik wilde, meer op mijn plaats.' Hij had geen vrede meer met de afstand tot het maatschappelijke leven die het academische bestaan met zich meebracht. ‘Denken over wijsgerige thema's was voor mij niet meer genoeg, ik miste morele substantie in mijn leven, de daadwerkelijk confrontatie met de weerbarstige praktijk.' Die confrontatie heeft hij inmiddels op verschillende manier gevonden. Naast de afspraken met Patrick hielp hij één maal per week een dementerende en verlamde tachtigjarige man en ontlastte daarmee voor een paar uur diens vrouw. Ook gaat hij eens per week op bezoek bij een bedlegerige gehandicapte seropositieve homoseksueel en fietst hij (op een tandem) tien tot vijftien keer per jaar met een vrijwel blinde vrouw. Het zijn stuk voor stuk dierbare contacten geworden.

Zijn aanmelding bij de vrijwilligersorganisatie Contour in zijn woonplaats Tilburg mag niettemin opvallend heten. Een mogelijk hoogleraarschap laten voor wat het is om zich te verbinden aan een paar zorgbehoevende mensen, het is niet de meest logische stap voor een 52-jarige man met een fulltime aanstelling. Vorstenbosch is de eerste om het altruïsme van zijn levenswending te relativeren. ‘Mijn werk als vrijwilliger is goed te combineren met mijn baan. Het afbetalen van de hypotheek lijdt er dus niet onder. Bovendien en belangrijker: die zorgrelaties zijn ook voor mijzelf van betekenis. Ik leer er veel van en groei er als persoon door.' Hoewel die relaties geenszins hetzelfde zijn als vriendschappen, omdat die veel meer op gelijkheid zijn gebaseerd, benadrukt Vorstenbosch dat zijn contacten met deze kwetsbare mensen wel degelijk een patroon van wederzijdsheid kent. Het is niet louter een kwestie van (zorg) geven door hem en (zorg) ontvangen door hen. Wil dit eenrichtingsverkeer verdwijnen dan is het overigens wel van belang dat het tussen vrijwilliger en ‘cliënt' klikt. ‘Anders wordt de zorg al gauw voornamelijk als een last, een verplichting ervaren. Wat ik juist merk is dat zorg een verrijking kan zijn voor je eigen leven, een zinvolle praktijk die de last van de zorg die er natuurlijk ook is relativeert, dus een plek geeft binnen een groter geheel en daarmee draaglijker maakt. Als ik geen zin zou hebben om naar hen toe te gaan dan zou ik ook weinig zin aan de ontmoetingen beleven.' Vorstenbosch verwoordt hier iets wat in de zorg van een ouder voor zijn kind meer vanzelf spreekt. Dat kinderen lastig kunnen zijn, en de zorg voor hen soms zwaar kan vallen, dat staat buiten kijf. Maar het zou absurd zijn als ouders de betekenis van die zorgrelatie zouden laten samenvallen met de kosten en lasten ervan.

Is het dan niet opmerkelijk dat in het maatschappelijk debat de zorg zelden verbonden wordt met zinervaring en des te meer met een (te) dure sociale verplichting? Hoe kan het dat de discussie vooral gaat over het uitbesteden van zorg (kinderopvang) en de moeizame financiering ervan en zelden over het adequaat besteden van zorg en het genieten ervan? Vorstenbosch: ‘Als filosoof wil ik de eenzijdigheid in het denken over zorg doorbreken, een eenzijdigheid die het gevolg is van de dominantie van een economische en technisch-organisatorische kijk op de werkelijkheid. Zorg wordt dan niet veel meer dan een aantal handelingen die een vastgesteld controleerbaar doel beogen. In plaats van iets wat een relationele waarde heeft, wordt de zorg louter afgemeten aan de instrumentele waarde. Of iemand of een organisatie, gegeven zoveel tijd en geld, een lijstje van zorghandelingen af kan werken, dat wordt de belangrijkste vraag.' Dat deze kijk in het niet-economisch relevante vrijwilligerswerk veel minder opgeld doet, in tegenstelling tot de professionele zorgsector die als elke andere onderworpen is aan de economische wetten van schaarste en efficiëntie, geeft het werk van vrijwilligers een veel grotere maatschappelijke betekenis dan het doorgaans krijgt, stelt Vostenbosch.

Hij wijst nog op een andere reden waarom zorg in onze samenleving zo stiefmoederlijk wordt behandeld. ‘Mijns inziens wordt er te gemakkelijk een tegenstelling gesuggereerd tussen de zorg voor jezelf, in de zin van authentieke zelfontplooiing, en de zorg voor anderen. Men doet alsof als men alleen zichzelf kan zijn als men niet te veel gebonden is aan anderen. Vandaar de zorg als last, want mensen die zorg behoeven, houden de persoonlijke ontwikkeling maar op. Jonge ouders zeggen niet voor niets dat ze niet meer aan zichzelf toekomen. Maar ik denk juist dat de wereld van het zelf niet is opgebouwd langs de weg van het ik maar langs de weg van de duurzame relaties.' In zijn onlangs verschenen boek Zorg waarin hij een filosofische analyse geeft van de structuur en betekenis van de veelsoortige zorgrelaties die het menselijke leven vorm en inhoud geven, zegt Vorstenbosch hierover: ‘De intieme confrontatie met anderen in nood, het zicht op de vele manieren waarop het leven kwetsbaar is en kan verkeren, de ervaring van de persoonlijke strategieën die mensen ontwikkelen om zich boven hun lot uit te tillen, dit alles helpt het ego om een grotere existentiële ruimte binnen het eigen leven te ontwikkelen en te ervaren.'

De filosoof die een boek over zorg schrijft en de vrijwilliger die de zorg praktiseert - in hoeverre beïnvloeden die elkaar? Vormen ze een harmonieus tweemanskoor? Of zijn het eerder twee zielen in één borst? ‘Ik had verwacht dat ik in mijn boek een mooie verbinding kon leggen tussen mijn eigen morele praktijk en mijn filosofisch-theoretische denken over zorg. Maar die verwachting kwam niet uit. Het bleven in de loop van het schrijfproces min of meer gescheiden werelden. Het lukte me niet meerdere heren tegelijk te dienen.' Hoewel Vorstenbosch in zijn voorwoord ook zijn ‘maatjes' in het vrijwilligerswerk bedankt voor hun onbewuste bijdrage aan het boek, vind je er over zijn (zorg)relatie met hen inderdaad niets in terug. Hoe komt dat? ‘Enerzijds spelen morele overwegingen van privacy mee. Zo'n zorgrelatie ontpopt zich als een vertrouwensband. Iemand toont zijn kwetsbaarheid aan jou, levert zich in meer of mindere mate aan je over. Door erover te schrijven maak je die band toch publiek. Maar dat gaat juist in tegen wat de relatie mogelijk maakt en haar betekenis geeft.' Vorstenbosch had zich dan ook voorgenomen om zichzelf een soort beroepsgeheim op te leggen. Het lukt echter niet altijd om alles wat hij meemaakt voor zich te houden, zo erkent hij. Soms fungeren zijn vrouw en kinderen als klankbord voor de ervaringen, vragen en dilemma's die de omgang met zijn maatjes met zich meebrengen.

Maar het is niet alleen het respect voor de privacy die zijn terughoudendheid om zijn eigen zorgrelaties te onderwerpen aan een wijsgerige reflectie verklaart. ‘Ik kwam er al gauw achter dat er iets bleef haperen in mijn vrijwilligerscontacten als ik steeds zat te denken hoe ik ze kon gebruiken voor mijn denken over zorg. Er is een spanning tussen opgaan in het hier en nu van de ontmoeting en observeren wat er gebeurt in die ontmoeting, omdat je er als filosoof zo nodig iets mee wilt doen. Zorg vereist nabijheid, nabij durven zijn, en als je te veel observeert verlies je juist dat wezenlijke aspect, en verandert de relatie in iets anders.' Vooralsnog blijft het voor Vorstenbosch zoeken naar de juiste vorm om aan die spanning gestalte te geven én al schrijvend toch recht te doen aan de zorgrelaties die hij koestert. ‘Misschien moet er simpelweg wat meer tijd overheen gaan.'

Niettemin wil hij desgevraagd toch wel een binding leggen tussen de analyse van de zorg in zijn boek en zijn eigen ervaringen. ‘Neem de kwetsbaarheid. Die vormt een belangrijk aspect in een relatie van zorg. Je denkt dan in eerste instantie aan de kwetsbaarheid van diegene die de hulp nodig heeft. Maar dat is maar de helft van het verhaal. Ik merk dat ik als zorggever ook wordt aangesproken op mijn eigen kwetsbaarheid. En dat op twee manieren. Allereerst omdat ik emotioneel gehecht ben geraakt aan de mensen met wie ik eens per week of twee weken een paar uur doorbreng. En wie gehecht is, kan de lotgevallen van de ander niet zomaar stoïcijns naast zich neer leggen. De kwetsbaarheid van die ander maakt mij dus ook kwetsbaar. Ten tweede kenmerkt het zorgen zelf zich door kwetsbaarheid. Wat ik moet doen voor mijn anderen staat niet van tevoren vast. Er is geen eenduidige algemene richtlijn voor wat geslaagde zorg is. Wat juist is om te doen en te zeggen, moet ik al doende en al zeggende, via vallen en opstaan, ontdekken. Door goed op de behoeften van de ander te letten maar ook door mijn eigen grenzen te bewaken. Niet in alles wat Patrick wil, moet ik hem volgen. Het is geen kwestie van ‘hij vraagt, ik draai'. Hij heeft mijn zorg niet in beheer. Maar ikzelf ook niet. Het zou al te aanmatigend zijn als ik meende precies te kunnen zeggen wat hij nodig heeft. En daarnaar te handelen.' Ligt er in het welzijn van de ander dan niet de maatstaf voor adequate zorg? ‘Zeker. Maar niet zonder meer. Als ik te veel op dat welzijn gefixeerd ben, neem ik hem al te gemakkelijk te veel uit handen en creëer een te grote afhankelijkheid die op den duur averechts werkt.'

Volgens Vorstenbosch is deze dubbele kwetsbaarheid die kenmerkend is voor zorgzame menselijke relaties juist verbonden met de zin en de waarde ervan. Alles van waarde, is weerloos, dichtte Lucebert. En het weerloze moeten we met zorg benaderen of omgeven. Maar ook in die benadering, in dat omgeven zijn we kwetsbaar: we kunnen niet goed controleren wat er van onze zorg terechtkomt. Maar, aldus Vorstenbosch, dat is geen reden om je aan zorgrelaties te onttrekken of ervoor weg te lopen. Integendeel. ‘Laat ik voor mezelf spreken. Op mijn begrafenis wil ik het liefst herinnerd worden om wie ik geweest ben, en dus voor wie ik geweest ben. Want wie en voor wie horen wat mij betreft bij elkaar. Dat ik het ook nog tot een carrière gebracht heb, een afbetaald huis en een luxe auto, het zal mij op dat moment een zorg zijn.'

Verschenen in Volzin 13, 2005.