Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Niet kunnen stoppen

Alle begin mag dan moeilijk zijn, zoals het spreekwoord luidt, stoppen blijkt in de praktijk evenwel vaak nog veel moeilijker. Het roken van de eerste sigaret ging misschien wat stuntelig, met het roken van de laatste sigaret hebben de meeste mensen veel meer moeite. Het opbouwen van een liefdesrelatie gaat niet altijd over rozen, maar ermee ophouden - zelfs als de doornen allang de overhand hebben gekregen - is voor velen een veel zwaarder proces. Meestal is de beslissing om te trouwen relatief veel gemakkelijker dan de beslissing om uit elkaar te gaan en de poging daar gestalte aan te geven. Scheiden doet lijden, ook als de reden om te scheiden juist de pijnlijkheid van de relatie was. Menige kostverdiener die zich met frisse tegenzin op maandagmorgen weer naar het werk begeeft, vreest het zwarte gat als hij, pensioengerechtigd en wel, zijn arbeidsbestaan definitief vaarwel mag zeggen.

Stoppen is in veel levenssituaties een probleem. ‘En dat probleem zit veelal in onszelf', zo steekt Herman van Gunsteren van wal. De hoogleraar politieke theorieën uit Leiden schreef een intrigerend essay (Stoppen; U kunt het, u wilt het, u doet het niet, Van Gennep 2002) over dit algemeen herkenbare maar weinig bestudeerde fenomeen. Niet ‘ik kon het niet stoppen' (het stromen van bloed bij een diepe snee of een sneeuwlawine) maar ‘ik kon mezelf niet stoppen', vormde het uitgangspunt voor zijn onderzoek naar het onvermogen van mensen om iets te beëindigen. Of wat paradoxaal geformuleerd: naar de hardnekkige gewoonte om door te gaan met niet-stoppen. ‘Ik wilde me niet opwerpen als iemand die meent anderen te kunnen helpen met stoppen maar wel laten zien wat mensen doen als ze niet kunnen stoppen, op welke manieren ze zo'n ongewenste situatie instandhouden.'

In de gelegenheid om ergens mee op te houden, in het besef dat dat beter is en het toch niet doen, het is niet alleen de vergeefs stoppende roker die zich aan deze existentiële ‘logica' onderwerpt. ‘Toen ik erop ging letten, zag ik het overal in de samenleving terug', vertelt Van Gunsteren. Hij refereert aan de jaloerse minnaar die weet dat zijn gevoel alleen maar averechts werkt maar die zijn jaloezie niettemin alleen maar blijft voeden. (‘Eifersucht ist eine Leidenschaft die mit Eifer sucht was Leiden schaft.') En aan politici, die zoals dat in een vaak gehoorde klacht heet ‘aan het pluche blijven kleven', hoezeer hun positie ook ongeloofwaardig is geworden. ‘Of neem de sporter die allang over zijn hoogtepunt heen is, maar tegen beter in blijft proberen zijn oude, glorieuze niveau te halen.' Zelfs premiers ontkomen niet aan het niet-kunnen-stoppen-mechanisme. De macht afstaan is vaak nog moeilijker dan de macht krijgen en behouden. ‘Lubbers kon het niet laten de nota bene door hemzelf aangewezen kroonprins Brinkman onderuit te halen. Al moet ik toegeven dat deze het er ook wel naar maakte.'

Tijdens het geven van een masterclass aan interimmanagers werd het belang van stoppen Van Gunsteren voor het eerst echt duidelijk. Conform de tijdgeest presenteren deze tussenpausen zich als vernieuwers en hebben ze de mond vol van cultuurverandering, ontwikkeling en innovatie. ‘Maar hun eigenlijke bijdrage aan een organisatie blijkt ergens anders te liggen', zegt Van Gunsteren. ‘Ze helpen met het beëindigen van vastgeroeste gedragspatronen en destructieve sociale routines waarvan iedereen in de organisatie wel weet dat die moeten ophouden, maar die de organisatie zelf niet in staat is daadwerkelijk te stoppen.' De kracht van de interimmer zit in zijn outsiderspositie. Doordat hij ‘van buiten' komt en ook na zijn opdracht weer weggaat, kan hij zich voortslepende interne patstellingen gemakkelijker doen verdwijnen dan de leden van de organisatie zelf. ‘Interimmers zijn zogezegd meer stoppers dan vernieuwers. Of nauwkeuriger: zij laten zien dat het verborgen probleem van verandering en vernieuwing vaak het stoppen met het oude is. Niet dat men het nieuwe niet wil maar dat het oude in de weg blijft zitten, vormt de bottleneck.' Dit wetende is het niet meer zo vreemd te constateren dat de opluchting en de dankbaarheid groot blijken te zijn als de interimmer zijn ‘opruim'maatregelen uiteindelijk toch weet door te voeren, ja zelfs bij mensen die door zijn interventies er in eerste instantie op achteruit zullen gaan.

Dit verborgen probleem komen we ook op andere terreinen tegen. Het grootste struikelblok voor politieke samenwerking (bijvoorbeeld tussen CDA en PvdA) ligt vaak niet zozeer in de inhoudelijke verschillen maar in de aanwezigheid van oud zeer en wantrouwen en de herinnering aan recente uitspraken en verwijten die een vruchtbare toenadering vooralsnog onmogelijk maken. Die moeten dan eerst ritueel weggemasseerd worden door een informateur voordat de nieuwe leiders echt zaken kunnen doen. En in de persoonlijke sfeer: iemand kan jarenlang nog niet toe zijn aan een nieuwe relatie (waar hij tegelijkertijd ook naar kan verlangen) omdat de oude liefde, hoewel zogenaamd allang ‘over', toch telkens blijft opspelen in de vorm van schuldgevoelens, schrijnend verdriet of sterke lichamelijke begeerte.

Dit laatste voorbeeld geeft overigens meteen aan dat stoppen hier opgevat moet worden als een geleidelijk proces en niet als een afgebakende kortstondige daad (stoppen voor het stoplicht). Het is een illusie te denken dat je activiteiten en bindingen die voor een belangrijk deel je identiteit bepalen rücksichtslos kunt afkappen. Zulk losrukken lijkt radicaal, zegt Van Gunsteren, maar leidt in feite tot niet meer dan schijnstoppen. Het verleden laat zich niet met een eenmalige handeling uitwissen. Beginnen met een schone lei vereist een proces van verwerking en rouw, van aanvaarden en loslaten. Wie dit miskent, ontdekt niet zelden dat na zijn abrupte stopdaad (weg ermee, zand erover, streep eronder) het verleden waarvan hij zich wilde bevrijden zich onmiskenbaar weer opdringt. Wie te snel van zijn oude zelf af wil zijn, wordt er al snel weer mee geconfronteerd. Zeker op de momenten dat hij kwetsbaar is of onder druk staat. Voorbeelden? ‘De roker die op oudejaarsvond besloot te stoppen maar in een moment van stress toch weer een sigaret opsteekt. De partner die zich losrukt door zich in een nieuwe relatie te storten, maar daar de oude problemen, die zij achter zich gelaten dacht te hebben, opnieuw tegenkomt. Doordat ze de ogen sluit voor het verleden heeft ze ook geen zicht op haar eigen aandeel in het scheppen van problemen, zowel vroeger als nu.' De conclusie die Van Gunsteren hieruit trekt is daarom minder verrassend dan ze op het eerste gezicht lijkt: abrupt stoppen is eigenlijk een vorm van niet-kunnen-stoppen. ‘Het is in feite doorgaan met een minteken ervoor.' Ook na een scheiding ruziën mensen nog jarenlang door, in het echt of in gedachten. En in menige gestopte roker blijft de hunkering naar een stevige haal zo aanwezig dat zijn leven nu even sterk beheerst wordt door het niet-roken als vroeger door het roken. (Het is maar de vraag waar zijn omgeving meer last van heeft.)

Waarom is stoppen zo moeilijk? Hoe komt het dat mensen vaak zo lang doorgaan met activiteiten, met een manier van leven, alleen of met anderen, waarmee ze ontevreden zijn of waarvan ze de onzinnigheid inzien? Hoe deze persistentie van de status quo te verklaren in een cultuur die anderzijds de veranderingsgezindheid, de innovatie en de flexibiliteit zo hogelijk waardeert?

Van Gunsteren doet verschillende suggesties. ‘Er bestaat een logica van het betere moment. Voor iemand die kan kiezen wanneer te stoppen, lijkt er altijd wel een geschikter tijdstip te zijn dan juist nu. Maar dan is nu nooit hét goede ogenblik en wordt het eigenlijke stoppen steeds maar uitgesteld.' Morgen, dan zal ik het haar zeggen, morgen....volgende week dien ik mijn ontslag in, volgende week. Maar de logica wil dat het nooit morgen is, nooit volgende week is. ‘Het is de wetenschap dat ik op elk moment kan stoppen, die mij telkens weerhoudt van nu stoppen.' Keuzevrijheid vinden we in onze samenleving erg belangrijk, zegt Van Gunsteren, maar vaak is ze ook een vloek en zeker als het gaat om het nemen van pijnlijke, onherroepelijke beslissingen. Een voorbeeld uit zijn essay: ‘Een ten dode zieke vrouw zei: "Ik zal eerder gaan dan jullie denken." Maar eerst vond ze dat het moment nog niet daar was omdat man en kinderen "er nog niet aan toe waren" en later moest ze er liefdevol op worden gewezen dat ze bij nog langer in leven blijven niet overeenkomstig haar wens thuis zou kunnen sterven. Niet dát euthanasie zou plaatsvinden, maar wannéér was het grote probleem.' Ook te denken valt aan de publicist die zonder een duidelijke deadline eindeloos kan blijven nadenken over zijn te schrijven stuk en het daarom nooit geschreven krijgt. En aan de bestuurders die besluitelozer worden naarmate de armslag om besluiten te nemen groter wordt.

Een andere reden waarom mensen hun niet-stoppen instandhouden is wat Van Gunsteren ‘de vertrouwdheid van het lijden' noemt. ‘Doorgaan is pijnlijk maar pijn wordt wel ervaren als echt, als een teken dat er geleefd wordt. En dat heeft dan weer iets bevredigends.' Bovendien kan iemand het ongenoegen dat hij aan een situatie beleeft (een onbevredigende baan, een slechte relatie) ook voor lief blijven nemen omdat hij bang is voor de leegte (de werkloosheid, de eenzaamheid) die ontstaat als hij zich zou losmaken van die situatie. Het ongelukkig stemmende is dan verkieselijker dan het enge onbekende. Mensen die geen betekenisvolle alternatieven (durven) zien blijven daarom maar trouw aan wat ze hebben. Of dit een trouw is met veel glans mag betwijfeld worden.

Verder wordt het doorgaan tegen beter weten ook gerechtvaardigd door de tijd en de energie die men al in een zaak of relatie heeft gestoken. Stoppen zou betekenen dat alle getrooste offers voor niets zijn geweest. Het point of no return is gepasseerd, men is al te ver (samen) op weg, terugkeren op zijn schreden, nu nog, dat zou pas echt een nederlaag zijn. Volhouden dus, niet versagen. In de loopgravenoorlog van ‘14-'18 rond Verdun was het iedereen, vriend en vijand, op een gegeven moment duidelijk dat voortzetting van de strijd de overwinning geen stap dichterbij zou brengen. Toch gingen de zinloze slachtingen nog maandenlang door. Telkens weer werd de irreële hoop op een definitieve doorbraak van de linies gevoed. ‘Stoppen was geen optie, dan zouden de gesneuvelden ‘voor niets' zijn gesneuveld. Wilden de gedane offers zinvol blijven, dan moest men doorgaan met offeren', zo vat Van Gunsteren deze waanzin samen.

Een actuele variant op deze waanzin is de dodelijke houdgreep waarin Israël en de Palestijnen elkaar al jaren houden. In de vicieuze cirkel van geweld en tegengeweld zijn het altijd de anderen die eerst moeten stoppen. Het gevolg: steeds meer burgerslachtoffers aan beide kanten, steeds meer wrok, wantrouwen en haat, steeds minder mogelijkheden voor beide kampen om daadwerkelijk een stap te zetten op weg naar een vredesproces. ‘Wij zullen nooit voor terreur wijken', ‘wij willen dat eerst de bezetting wordt opgeheven', vormen de eindeloos herhaalde frasen.

Als je ergens aan begint, moet je het ook afmaken. Houd je aan je belofte. Wie a zegt, moet b zeggen. Gunsteren erkent dat deze cultureel verankerde aansporingen zeggingskracht hebben en dat het in veel levenssituaties goed kan zijn om er naar te leven. Maar met zijn analyse en voorbeelden van het niet-kunnen-stoppen waarschuwt hij er nadrukkelijk voor het steeds maar doorgaan te verheerlijken. ‘De moed om door te gaan is niet nobeler dan de moed om te stoppen', zo eindigt hij zijn essay. We moeten af van de idee dat vooral de doorzetter en de volhouder blijk zouden geven van een sterk karakter.

Maar, zo benadrukt hij ook, met alleen de moed om te stoppen zijn we er niet. Waar onze cultuur behoefte aan heeft zijn stoprituelen, een sociaal repertoire aan handelingen die het stopproces markeren en voltrekken. Ergens mee ophouden heeft aan welwillendheid vaak niet genoeg, nodig is ook een welbepaalde vorm die mensen een houvast geeft in hun afscheid van het oude en hun voorbereiding op het nieuwe. Van Gunsteren noemt rouwrituelen, afscheidsetentjes, plechtigheden bij de pensionering maar ook de Waarheids- en Verzoeningscommissie in Zuid Afrika onder leiding van bisschop Tutu, die op indrukwekkende wijze poogde om aan een gezamenlijke verwerking, van daders en slachtoffers, van het gruwelijke apartheidsverleden gestalte te geven. Maar we kunnen ook denken aan de rechtsgang: met zijn uitspraak, eventueel na hoger beroep, beëindigt de rechter de zaak. De algemene acceptatie hiervan behoort tot de fundamenten van de burgerlijke samenleving. Ze behelst de erkenning dat de individuele wil meestal niet volstaat om geschillen te beslechten, maar dat er een onafhankelijke derde nodig is.

Bij het stoppen met een interview fungeert de klok als onafhankelijke derde: de tijd is om. Het laatste woord is aan de hoogleraar: ‘Ik pleit voor het stoppen als een positieve daad, als iets wat je welbewust ritueel voltrekt en vormgeeft. Zodat het zijn negatieve betekenis verliest die het in onze samenleving nog maar al te vaak heeft. Goed stoppen is een zaak van menselijke waardigheid.'

Verschenen in Intermediair 9, 2003