Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Over het vreemde kind en volwassen bemoeizucht

In gesprek met ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma

‘Waarom moet ik eigenlijk naar school?', vroeg het zoontje van Gerrit Breeuwsma nadat hij zijn eerste schreden in zijn onderwijsloopbaan had gezet. Vader antwoordde zoals waarschijnlijk zoals alle vaders die het beste met hun kinderen voor hebben zouden doen: ‘Het is toch fijn om dingen te leren.' Het antwoord van zijn oogappel was even verrassend als veelzeggend: ‘Maar ik weet toch alles al?'

Breeuwsma, als ontwikkelingspsycholoog aan de universiteit van Groningen verbonden, haalt deze anekdote aan om iets duidelijk te maken over wat hij de vreemdheid van het kind noemt. ‘Volwassenen en kinderen hebben een verschillende kijk op de werkelijkheid, leven vanuit verschillende intenties.' Opvoeding, en vooral onderwijs, zijn gericht op de toekomst. Leren is goed voor later. Onderwijs bereidt je voor op het leven dat ooit zal komen. ‘Maar jonge kinderen hebben helemaal nog geen boodschap aan deze preoccupaties van de volwassenen, zij leven in het hier en nu. En voor dat hier en nu was de kennis van mijn zoontje meer dan toereikend.'

In zijn dit jaar verschenen boek Het vreemde kind wijst Breeuswma erop hoe gemakkelijk wij het kind en zijn wereld belasten met onze, dat wil zeggen volwassen projecties en beelden. Met instemming haalt hij de Franse filosoof Rousseau aan wanneer deze zijn schrijvende tijdgenoten terechtwijst: ‘Ze zoeken altijd de volwassene in het kind, zonder te bedenken wat een mens is voor hij volwassen wordt.' Recht doen aan het kind betekent ook het kind vrij laten van wat wij in hem of haar willen zien. Onze toekomstverwachtingen, onze uitgestelde dromen... Hoe moeilijk dat is blijkt al bij de geboorte. We kunnen het niet helpen om bij de aanblik van de baby, dat hulpeloze vreemde wezentjes, direct te speuren naar de gelijkenis met de volwassenen die hem of haar in de schoot geworpen kreeg. Maar een kind lijkt allereerst op zichzelf, is dus onvergelijkbaar, is zijn eigen vreemde zelf.

Zonder beelden en bepalingen gaat het niet, erkent Breeuwsma. Een kind is druk, verlegen of dromerig; het heeft een aardje naar zijn vaartje of het is vroegwijs. De woorden liggen klaar om het vreemde een bekende plek te geven, verstaanbaar te maken. Maar hij waarschuwt ervoor hierin niet te ver te gaan. Zeker in handen van professionele opvoed- en onderwijsdeskundigen is die beeldvorming niet onschuldig. Etiketten met ADHD, hoogsensitief, trage starter worden gretig uitgedeeld in een samenleving waarin kinderen op allerlei manieren worden gemeten, gevolgd en gecontroleerd. ‘Het beeld wordt een label, en voor je weet gaat het kind schuil achter de label,' aldus de wetenschapper. Breeuwsma kijkt daarom met enige ambivalentie naar zijn eigen vakgebied. ‘Ontwikkelingspsychologie levert veel kennis op over het kind. Maar te doen alsof je met al die wetenschap het kind echt kent en zo kunt afleiden wat het nodig heeft en hoe je het moet opvoeden, is een illusie.'

Breeuwsma's scepsis tegenover de pogingen om van het vreemde kind een gekend kind te maken, om het helemaal in kaart te brengen en op de voet te volgen kleurt ook zijn kijk op bepaalde ontwikkelingen in het onderwijs. Leerlingvolgsysteem, preteaching, spelend leren, ontwikkelingsgerichte kleuteractiviteiten - we zitten er bovenop om onze kinderen in de vaart der volkeren mee te nemen. ‘Ideeën van controle en maakbaarheid worden steeds gewoner op de school. Maar volgens mij vergroten die alleen maar de frustratie bij zowel leerkracht als leerling.'

En daar komt nog iets bij. ‘In het onderwijs heerst een bijna panische angst voor achterstanden. Maar een achterstand zegt vaak helemaal niet zoveel. Kinderen hebben een eigen tempo van ontwikkeling. Bij de een gaat het nu eenmaal wat sneller dan bij een ander. Het kind is zelf de motor achter zijn ontwikkeling. We zouden daar in veel gevallen wat meer op moeten vertrouwen. In plaats van het kind koste wat kost onze snelheidsnorm op te leggen.' Breeuwsma durft in dit verband zelfs de hypothese op te werpen dat al die goedbedoelde schoolprogramma's en methodes om de ontwikkeling van kinderen te stimuleren en te versnellen de onderwijsuitval vergroten.

Hij pleit er dan ook voor dat de leerkracht zich weer meer op zijn kerntaken kan concentreren: gewoon goed les geven aan een niet al te grote klas. Er gaat nu in verhouding te veel geld en energie naar ‘de buitenkant' van het schoolsysteem, naar bureaucratie en psycho-sociale begeleiding. We leggen te veel op het bordje van de leerkracht en gaan te veel van de school verwachten. ‘Waarom zou je alle leerlingen in een volgsysteem moeten stoppen? Doe dat alleen als er echt een aanleiding voor is.' En Breeuwsma voegt eraan toe: ‘Wat we bij kinderen in een schoolsituatie normaal zijn gaan vinden, dat zouden we bij onszelf erg onprettig vinden: iemand die je hele doen en laten noteert en langs een meetlat legt.'

Alle opvoed- en onderwijstheorieën over de ontwikkeling van het kind ten spijt blijft het kind de volwassene ontsnappen. Maar juist dat te accepteren getuigt van een volwassen omgang met het kind, aldus Breeuwsma. Betrokkenheid in distantie, aandacht zonder doorgedreven en door de overheid gefaciliteerde bemoeizucht, dat zou onze verhouding tot het kind moeten kenmerken. Koester zijn vreemdheid, ook en juist als het kind je meer dan wie ook vertrouwd is.