Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Een pleidooi voor wereldvreemdheid

Soms, in een onbewaakt ogenblik, ontdekken we plotseling wat we eigenlijk al wisten: de wereld die we zien en waarin we ons bewegen en onze daden stellen is niet de enige. Er is een wereld (er zijn werelden?) verborgen achter de ons vertrouwde die elke morgen op ons wacht als de nacht uit onze ogen is verdreven. We zien onze poes voor het raam aandachtig naar buiten kijken. We proberen ‘mee te kijken' en te zien wat zij ziet. Maar het is vergeefs. We zien ‘regen', ‘een auto op het pleintje', ‘een boom met nog enkele bladeren'. Maar zij? In ieder geval geen ‘regen', ‘auto' of ‘boom'. Hoe zou het kunnen? Ze heeft niet alleen onze ogen niet waarmee we de werkelijkheid in een bepaalde kleur, vorm en grootte waarnemen, maar ze kent ook de taal niet waarmee we de werkelijkheid benoemen en ordenen. Taal bepaalt hoe en wat we zien, eerder dan omgekeerd.(Keek ze eigenlijk wel ‘aandachtig' - was dit woord niet al een teken van de neiging om het menselijke te projecteren op het niet-menselijke en aldus de afstand ertussen te dichten?) De poes en wij - we zijn door een onoverbrugbare kloof van elkaar gescheiden. We delen hetzelfde huis en leven in twee werelden. Ja, hoe lief ze ons ook is, hoe gewillig ze zich ook laat strelen, we blijven ‘wereldvreemden' voor elkaar.

Wereldvreemd - doorgaans gebruiken we dit woord voor iemand die niet is aangepast aan het door conventies en normen bepaalde sociale leven, iemand die niet helemaal weet hoe het hoort en er daarom niet helemaal bij hoort. De wereldvreemde is naïef en dromerig en wordt daarom schamper bekeken. Hij kan zich met van alles bezighouden maar echt relevant is het niet. Hij mag veel weten maar niet wat er in de wereld te koop is. Hij is als de filosoof die turend naar de nachtelijke hemel zich verwondert over de nietigheid van de mens in het oneindige heelal maar dan (met twee verschillende sokken aan) in de verkeerde trein stapt.

Wereldvreemdheid heeft een negatieve klank. Ze staat tegenover maatschapplijk engagement en actieve betrokkenheid, de deugden waar de moderne mens prat op mag gaan. In haar nieuwe bundel essays echter bevraagt Patricia de Martelaere in de haar kenmerkende heldere en laconieke stijl deze vanzelfsprekende opvattingen over wereld en wereldvreemdheid. Is de wereld niet veel groter dan de door al te menselijke behoeften, vermogens en afspraken bepaalde werkelijkheid? En is de ‘wereldvreemde' wellicht wel thuis in een wereld waar de mens in zijn drukke functionele bestaan doorgaans niet of nauwelijks een glimp van kan opvangen? Gaat er met andere woorden in wereldvreemdheid niet een andere vorm van engagement schuil dat weliswaar ‘vreemd' is aan wat we er normaal onder verstaan maar daarom nog niet minder van betekenis is?

In feite neemt De Martelaere op eigen wijze de aloude discussie op over de bekende uitspraak van de Griekse sofist Protagoras dat de mens de maatstaf van alle dingen is. Enerzijds erkent ze de waarheid ervan: de wereld ís de wereld door onze ogen, gevormd naar onze verlangens en behoeften en beoordeeld naar onze waarden en normen. De mens is het enige wezen dat door zijn taal en denken alles in een door hem bepaalde categorisatie kan onderbrengen en ordenen. De mens legt zijn maat op aan de werkelijkheid en maakt deze zo tot de zijne. Met Schopenhauer betoogt ze dat ook de zogenaamde objectieve wetenschap schatplichtig is aan deze ‘subjectieve' werkelijkheid. ‘De wetenschap komt niet los van de gewone, dagelijkse omgang met de dingen, maar bouwt deze alleen maar op een meer systematische en gecontroleerde manier uit. In de dagelijkse omgang met de dingen maken wij ze onbewust en op de meest vanzelfsprekende manier ondergeschikt aan ons menselijk perspectief en onze menselijke behoeften. Wat ons in de dingen interesseert is de mate waarin ze vermenselijkt kunnen worden: hoeveel iets weegt, hoe groot het is, hoe ver het van ons is verwijderd - allemaal gemeten naar onze eigen eenheden en maatstaven.'

Dat de wereld gekleurd is door een menselijke bril en dat zij zonder die bril letterlijk ‘kleurloos' zou zijn - ook een kleur is taal -, De Martelaere is de laatste om dat te betwisten. Anderzijds gaat het er haar echter juist om de alleenheerschappij van het menselijke perspectief op de wereld, de allesomvattendheid van de menselijke maat ter discussie te stellen. Ze wil de aandacht vestigen op een ‘andere waarheid', op een ervaring van en een verbinding met de werkelijkheid die niet al voorgevormd is door bewustzijnscategorieën, de wereld waarin het belang van de mens niet meer centraal staat, zijn wil verstomd is, en de dingen niet meer in zijn functie staan. Ze zoekt langs verschillende wegen naar een ontsnapping uit de normale situatie waarin de mens als het ware de gevangene is van zijn individuele bewustzijn dat niet anders kan dan een wereld scheppen van menselijke betekenis en samenhang. Om zodoende - voor even - een wereld te betreden waarin ze verlost is van de ikgerichtheid, gezuiverd van een maar al te vaak vrijblijvend maatschappelijk engagement en bevrijd van de dwang van de taal en het denken.

Een wereldvreemd verlangen? Wellicht. Het is niet toevallig dat ze een sterk beroep doet op (taoïstische) wijsheden en technieken uit het Oosten om de ervaring van deze andere wereld ‘dichterbij te halen'. Het Westerse rationele denken - denk aan het cogito ergo sum van Descartes - biedt maar weinig mogelijkheden om de mens uit het centrum van de wereld te halen. In het Oosten is het veel vanzelfsprekender om de mens minder belangrijk te achten en de wereld ‘een tikje minder menselijk' op te vatten. Volgens het denken uit het Oosten ‘ligt de bevoorrechte positie van de mens niet in het feit dat hij een centrum heeft noch in het feit dat hij een denkend bewustzijn heeft, maar in het feit dat hij, misschien als enige, zichzelf als centrum kan opheffen en zich, áls bewustzijn, opnieuw kan laten samenvallen met het bewustzijn waaruit het alles ontspringt. Wat hij daartoe moet doen is niet denken - noch voelen, noch willen, noch enige andere specifieke activiteit van het bewustzijn - maar het bewustzijn aan zichzelf teruggeven door het leeg te maken van alle inhouden en het toe te laten zichzelf als zuiver bewustzijn te ervaren.' Als deze toestand van leegte door iemand uit de oosterse traditie al niet eerder dan via de grootste volharding bereikt kan worden, hoe ver weg ligt dit ideaal dan niet voor de westerling voor wie leegte alleen maar negatieve connotaties heeft, of het nu gaat om een lege agenda of om de leegte die ontstaat door de dood?

We hoeven mijns inziens echter De Martelaere niet te volgen in haar reis naar het Oosten om toch de waarde in te zien van haar ‘vervreemdende' perspectief. Ook in de westerse traditie, met name die van de kunst, is men op zoek naar de paradoxale relatie met de dingen, met de werkelijkheid waarin ‘het ik' dat de relatie aangaat juist verdwijnt als was het door de dingen, door de werkelijkheid vergeten. Zoals wanneer iemand die door de bergen loopt plots geconfronteerd kan worden met de peilloze onverschilligheid van de natuur die hem, zonder taal, duidelijk maakt dat hij er hier niet toe doet, dat zijn ‘thuis' een wereld is waarin hij ook een vreemde blijft.

Het is misschien de wereldvreemde (de kunstenaar, de filosofe) die het best in staat is de vreemdheid van de wereld recht te doen, tegen alle wetenschappelijke verklaringen, tegen al het functionalisme in. En ons zowel te behoeden voor een al te vanzelfsprekende bemeestering van de wereld op onze condities als te vrijwaren voor een openheid naar ‘het andere', de onbegrijpelijke blik van een poes, het raadsel van de dingen op een stilleven, het ‘unheimliche' in het o zo vertrouwde.

Wij zijn buitenstaanders, de dingen horen weliswaar bij ons en wij bij de dingen, maar zoals onze schaduw en wijzelf bij elkaar horen, de dingen staan stil als wij stilstaan, ze bewegen als wij bewegen, maar wij zullen nooit zien hoe zij eruitzien vanuit een positie die niet de onze is, dat wil zeggen als ze geen deel uitmaken van ons decor. De wereld is een geobserveerde wereld en dat bepaalt onze verbondenheid met die wereld en de onoverbrugbare afstand... (Rutger Kopland)