Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Vervreemding en verzoening

Over de lachwekkendheid van het leven

1. Als een kind van zeven prij schrijft in plaats van prei dan is daar wei­nig grappigs aan. Maar als een groenteboer deze fout maakt, omdat hij meent dat deze lange groente wel met een 'lange ij' geschreven zal worden, is een lach zijn deel. Als een oude, moeizaam lopende vrouw zich plotseling ver­stapt en valt, schieten we eerder te hulp dan in de lach. Maar als een jongeman arm in arm met zijn meisje achteruitloopt om de volle maan te kunnen zien die achter de huizen verscholen zit en dan tot stilstand wordt gebracht door een lan­taarnpaal, ontsnapt ons een lach nog voor wij weten of hij sterretjes heeft gezien. Twee mensen die de liefde bedrijven zijn op zich niet om te lachen. Maar er hoeft maar weinig te gebeuren of aan toegevoegd te worden of de (romantische) ernst van het paringsritueel wordt onherroepelijk ondermijnd. 'Het' wordt, zoals in de Nederlandse film Zusje, bijvoor­beeld komisch als de jongen tijdens de vrije­rij nog tijd heeft om een rijk geïllustreerd boek met alle mogelijke seksuele standjes en technie­ken te bestuderen. En ook wanneer een vrouw de hartstochtelijke pogingen van een man om haar te bevredigen terstond laat onderbreken door het gepiep van haar GSM, krijgt hun intimiteit iets lachwekkends, zeker als ze aan de verstoorder vraagt of ze hem over 5 minuten terug kan bellen. Er is niet alleen de liefdevolle lach, de lach waarmee mensen elkaar accepteren en bevestigen in hun bestaan, de lach van de liefde, er is ook de lachwekkende liefde, de lach om de liefde.

Wat veroorzaakt in al deze gevallen de lach? Algemener geformu­leerd: waardoor wordt een situatie, een handeling of een gebaar, een gesproken of geschreven woord lachwekkend? Waarvan is het lachen van een mens de uitdrukking? Waarom lachen we eigenlijk? Alvorens ik tentatief deze vragen probeer te beantwoorden en, zoals het een filosoof betaamt, het algemene in het bijzon­dere en het bijzondere in het algemene tracht te vinden, is het vooraleerst nodig om te onderkennen dat de lach vele modaliteiten kent. We kennen de vrolijke lach, de schaterlach, de slappe lach, de sinistere lach, het verlegen lachje, het minzaam superieure lachje, de bevrijdende lach, de ironische glimlach, de lach uit sympathie en uit vertwijfeling, het uitla­chen (leedvermaak), het lachen dat over kan gaan in huilen, ja zelfs een lachje dat eigenlijk niet naar buiten wil (het binnenpretje). Het is de vraag of al deze verschij­ningsvormen van lachen onder één noemer te brengen zijn. Is het wel mogelijk om nog iets substantiëlers te zeggen over de lach dan dat de mond zich plooit en in de meeste gevallen spontaan een niet geheel controleerbaar geluid voortbrengt? Is lachen uit vreugde of uit verlegenheid niet iets heel anders dan lachen omdat iets komisch is? Ligt er niet een wereld van verschil tussen het lachen van een klein kind en dat van een volwassene?

2. Ik zal de lach en zijn verschillende uitingsvormen begrijpen als een effect van twee min of meer tegengestelde ervaringen: vervreemding en verzoening. Het gaat mij om het onderscheid dat ik op de volgende wijze zou willen uitdrukken. De lach is ofwel een (spontane) reactie op iets wat niet klopt, iets wat vreemd is en niet past in de normale verwachtings­patronen waarmee we de werkelijkheid tegemoet treden. Dit is de lach die uiting geeft aan (absurde) tegenspra­ken die zich op alle niveaus van het leven voordoen. Ofwel de lach is een lichame­lijke bezege­ling van de ervaring dat het (leven) goed is, dat het klopt, ook, ja zelfs in het besef dat het nooit in orde is of zal zijn. Dit is de lach als een beaming die de ervaring van vervreemding voorafgaat of voorbij is.

Als gids en ijkpunt neem ik de analyses van de lach zoals die te vinden zijn in het werk van Bergson en Kierkegaard. Het gaat daarbij vooral om de lach die veroorzaakt wordt door het komische. Hoe dit komische verschilt van en tegelij­kertijd dicht tegen het tragische en treurige aanschuurt, zal aan de orde komen. Ik zal eindigen met een korte aanduiding van de lach waarin de tegen­stelling tussen het komische en tragische van het bestaan minstens momen­taan opgeheven is.

3. Volgens Kierkegaard veronderstelt lachen een bewustzijn van tegenspraak, een besef van het samengaan van twee elementen die eigenlijk vreemd zijn aan elkaar. Hoewel het komische hiermee alleen nog formeel bepaald is, maakt deze veronderstelling al veel duidelijk. Hij laat zien dat het komische niet zonder meer in iets gelegen is, maar altijd in een verhou­ding. Iets of iemand grappig vinden impliceert dat we dat iets of die iemand in verband brengen met iets anders waardoor een tegenstelling oplicht. De Dikke en de Dunne doen ons al lachen voordat ze ook maar iets gedaan hebben. We hebben een voorstelling van het gewone, gepaste en normale nodig om te kunnen grinniken om iemand die plotseling iets onge­woons doet en zich even niets aantrekt van de sociale norm. Wan­neer iedereen 'raar' zou lopen (de beroemde silly walk uit Monty Python) zou er al gauw niets lachwekkends meer aan zijn. Waar westerlingen lachen om de 'dwaze' gewoon­tes van mensen uit een andere cultuur, lachen deze om de westerlingen om dezelfde reden. En woordspelingen zijn in meer of mindere mate leuk, omdat het normale (letterlijke) taalgebruik besmet wordt met extra betekenis­sen die de toehoorders op het verkeerde been zetten. (Herman Finkers verhaalt: 'Ik was erg gelukkig met Greetje tot ik op televisie hoorde dat zo'n soort liefde tegenwoordig levensgevaarlijk kan zijn. 'Indien u niet altijd seks hebt met dezelfde partner, dan loopt u kans HET te hebben.' Nou, ik had inderdaad niet altijd seks - nee, je moet ook af en toe een hapje eten - maar wel steeds met dezelfde partner.') Grappen verstaan of maken in een taal die je oorspronkelijk niet eigen is, is een teken dat je vergevorderd bent, omdat je dan ook vat hebt gekregen op de figuurlijke en dubbelzinnige kant van die taal. Hoe meer je de vervreem­dende mogelijkheden van een vreemde taal kent, hoe vertrouwder je ermee bent.

Lachen onderscheidt de mens van andere dieren, omdat een besef van ambiguïteit, van ver­vreem­ding en tegen­spraak typisch menselijk is. Dieren lachen niet en, zo voegt Bergson eraan toe in zijn studie Le rire: Essai sur la signification du comique (Ned. vert. Het lachen; afgekort als L), strikt genomen maken ze ons ook niet aan het lachen. Dat men desondanks toch om dieren lacht (vooral om huisdieren) komt 'omdat men bij hen een menselijke houding of uitdrukking heeft opgemerkt'. (L 30) Het is onze antropomorfe blik waardoor de dieren ons grappig toeschijnen. Dieren zijn wat ze zijn, ze vallen samen met hun onmiddel­lijke existentie, ze leven in één wereld. Maar iets dat is wat het is, is niet komisch. Het kan dat alleen worden wanneer de mens er iets aan toevoegt (een attribuut, een gedachte, een menselijke waarde of eigenschap) en zo een vreemd verband creëert.

4. De lach veronderstelt een minimaal besef dat 'er iets niet klopt'. Maar dit besef hoeft er niet te zijn bij diegene die de lach opwekt. Mensen zijn vaak ongewild en onbedoeld komisch; niet dankzij, maar ondanks zichzelf. De komiek leeft van het komische, maar het komische heeft niet per se een komiek nodig. Als een vader de vraag van zijn zoontje beaamt of er in Afrika ook mieren zijn en deze 'doordenkend' in alle ernst concludeert: 'Dat zijn dan zeker hele arme mieren', dan is zijn intentie niet geweest om zijn vader aan het lachen te maken.

In zijn analyse van het komische legt Bergson veel nadruk op het onbewuste karakter ervan. '[E]en komisch personage [is] over het algemeen komisch juist in de mate waarin het zichzelf niet kent.' (L 37) Het is dan ook niet toevallig dat hij zijn voorbeelden voor het lachwekkende vooral uit de komedie haalt, waarin optredende figuren vaak juist grappig zijn omdat ze niet weten dat ze het zijn; de lach is voorbehouden aan de toeschouwers. De komiek (de cabaretier) die welbewust aan het lachen maakt door naast de komische kanten van zichzelf ook die van anderen (de toe­schou­wers!) te belichten, komt zo nauwelijks in zicht. Dat houdt verband met de specifieke invulling die Bergson aan de komische tegen­spraak geeft. Normaal leven, zo zegt hij, vereist flexibele aanpassing, een voortdu­rende aandacht, sociaal alert gedrag, een beweeglij­ke geest. Iemand wordt lachwekkend als hij niet in staat is tot deze soepelheid, als zijn woorden of gebaren, zijn gedrag of handelen iets verstrooids of automatisch krijgen, als de materie (het lichaam) de regie overneemt van de ziel. Het komische is het gevolg van de confrontatie van (de norm van) het levende met iets mechanisch, van de plooibaarheid van de geest met de massiviteit van het lichamelijke, van de inhoud van een gedachte met de verstrooid­heid van de taal. Zo is te begrijpen dat we lachen om het uiterlijk van iemand, niet omdat het lelijk is, maar omdat er iets in naar voren komt dat zich opdringt in zijn onveranderlijk­heid, alsof het zijn eigen karika­tuur is. En zo snappen we ook dat het lachwekkend is als iemand die zijn geest wil laten klinken opeens alle aandacht naar zijn kleren of zijn lichaam richt. Iemand wiens gulp open staat terwijl hij een sollicitatiecommis­sie wil duidelijk maken dat hij de juiste man is voor deze representatieve functie, zal eerder de lachers op zijn hand dan de baan krijgen. De bruidegom die op het moment dat hij het ja-woord zal uitspreken vreselijk moet niezen, last in de huwe­lijksplech­tig­heid ongewild een komische scène in.

En in de voorbeelden van de vrijages aan het begin van deze tekst komt door het boek van de jongen en de GSM van de vrouw de focus erg te liggen op het puur lichamelijke van de seksualiteit. De koppeling met de intieme persoonlijke kant ervan wordt losgelaten. De ontstane tegenstelling zorgt voor de lach: de mens, die romantische ziel, is een parend dier met voor­beeldplaatjes en een draagbare telefoon.

5. Naast deze inhoudelijke bepaling van de oorzaak van het lachen voert Bergson nog twee kenmerkende aspecten op die dit lachen onderscheidt van andere vormen. Op de eerste plaats gaat het om een lach van een min of meer ongevoelige toeschouwer; van een lachende derde die zelf buiten schot blijft. De lach heeft een zekere wreedheid. Het gaat niet om een toelachen, maar om een uitlachen. '[D]e lach is onverenigbaar met het gevoel. Be­schrijf me een gebrek dat zo oppervlakkig is als u maar wilt: als u het me zo voorstelt dat het mijn sympathie wekt of dat ik er bang van word of medelijden krijg, is het afgelopen en kan ik er niet meer om lachen.' (L 102) Om hartelijk te kunnen lachen is een bepaalde mate van harteloosheid noodzakelijk. Een tegenspraak verschijnt alleen maar als komisch wanneer de lachende op veilige afstand blijft van de lachwekkende en er niet door gevoelens van angst, mededogen of (plaatsvervangende) schaamte een identi­ficatieproces op gang komt dat hem het lachen doet vergaan. Daarom schrikken we als we een oude vrouw zien vallen op een beijzelde stoep, terwijl een stoere jongen die hetzelfde overkomt heel grappig kan overko­men. De gedachte dat de vrouw zich mogelijk ernstig heeft gebles­seerd, maakt het onmogelijk om nog op een gevoelloze afstand te blijven. En de lach die de jongen in ons teweegbrengt verstomt terstond als hij kermend van pijn op de grond blijft liggen. Situaties in de liefde waar we eerst om kunnen lachen, kunnen ons ook een gevoel van bezorgdheid geven wanneer een van de partners ons in vertrouwen neemt. Een komedie wordt vanuit een betrokken gezichtspunt niet zelden een drama.

We weten allen dat we om de ergste en meest ernstige zaken op sommige momenten toch kunnen lachen. Er is in principe geen enkele context uitge­sloten van het komi­sche. De dodenherdenking op 4 mei is een zaak van grote eerbied. Maar het ritueel van de twee minuten stilte verliest één ogenblik zijn diepe ernst wanneer op een tekening van Peter van Straaten een jonge vrouw een slapende oude man wekt met de woorden: 'Opa! Wakker worden! Het is acht uur! Twee minuten stilte!' Niettemin is het in veel situaties ongepast om te lachen. Volgens Bergson zit er in het komische vaak iets pijnlijks waar de lach aan voorbijgaat. De lach die hij analyseert, heeft iets weg van leedvermaak; leed dat de lachende niet raakt. 'Het lachen bezit (...) niets aardigs.' (L 132) Maar moeten we niet erkennen dat de lach zelf ook iets pijnlijks kan krijgen? En wel dan wanneer ze als het ware te ver gaat? Als ze geen oog meer heeft voor het tragische van een persoon, het uitzichtloze of beschamende van een situatie, of domweg voor leed dat te erg is voor vermaak? Iemand die overal de lol van inziet, is minstens even irritant als iemand die nooit ergens om kan lachen. Is het gejoel van het publiek in sommige tv-programma's waarin mensen door presentatoren voor schut gezet worden of erger nog, zichzelf belachelijk maken, niet net zo gênant als de vertoning waar het op reageert?

Kierkeg­aard stelt dat het verschil tussen het komische en het tragi­sche gelegen is in de moge­lijkheid respec­tievelijk onmogelijkheid om te ontsnap­pen aan de tegen­spraak waarin iemand zich gemanoeuvreerd heeft. Juist daardoor verschilt het pijnlijke van het komische wezenlijk van het pijnlijke van het tragi­sche. Het leed heeft twee gedaanten waarvan eigenlijk alleen de eerste zich leent voor vermaak.

Het komische is begrensd, maar de grens waarachter de lachende toe­schouwer plaatsmaakt voor een betrokken deelnemer wiens lachen verstomt of iets beschamends krijgt, is niet a priori objectief vast te stellen. Be­paalde cabare­tiers zijn er meester in om op deze grens te balanceren. De lach die ze oproepen laten ze omslaan in een gevoel van verlegen­heid en schaamte: dat wat niet klopt, de vervreemding maakt deel uit van onszelf; we zijn de protagonisten van het absurde waar we zoëven nog om lachten. In de lachspiegel die de cabaretier ons voorhoudt blijken we plotseling iemand te zijn die bedremmeld moet zwijgen.

6. Voor deze lach, waarbij het perspectief van de toeschouwer een verande­ring ondergaat is in de analyse van Bergson geen plaats. Dit houdt verband met het laatste aspect van het lachen waarop zijn analyse van het komische steunt. Het lachen heeft een sociale functie: het wil diegene die door onbeholpenheid en verstardheid niet in de pas loopt met het maatschappelij­ke leven weer bij de les halen. 'Het lachen is vooral een correctie. Het is bedoeld om iemand te vernederen en de persoon om wie het gaat een onaange­naam gevoel te bezor­gen. Zo neemt de maatschappij wraak vanwege vrijpostig gedrag dat men zich ten aanzien van haar gepermitteerd heeft.' (L 133) Met de lach wordt iemand 'gestraft' die door zijn onbuigzaamheid of verstrooid­heid niet aan de eisen van het samenleven beantwoordt (L 39).

De lach is een kritische reactie van de maatschappij op (het gedrag van) een individu. De omgekeerde verhouding, waarin het individu lacht om de maat­schappij en zich aldus welbewust distantieert van de daarbinnen geldende zeden en normen, krijgt in de analyse van Bergson geen aandacht. Het automa­tische handelen, een verstard denken en de macht van de gewoonte die belang­rijke oorzaken zijn voor het komische gehalte van een persoon, zijn dat juist ook niet de bronnen voor de lachwek­kendheid van de maat­schappij met haar formele regelgeving, haar onpersoon­lijke functiona­rissen en onzinnige rituelen? Maar als het komische de uitdrukking is van een of andere bijzondere onaangepastheid van de persoon aan de maatschappij' (L 99), hoe dan de lach te verstaan die uitdrukking is van de onaangepastheid van de maatschappij aan de persoon?

7. Maar of het nu gaat om een individu tegenover de maatschappij of andersom, niet elke lach kan verstaan worden vanuit de ervaring van vervreemding. Moeten we niet erkennen dat de lach in oorsprong veeleer een woordeloos teken is van een aanvaarding en een aanvaard-zijn waarin het verschil tussen het komische en het tragische, tussen lachen en treuren om de tegenspraken van het leven nog niet aan de orde is?

Die oorsprong moet vrij letterlijk genomen worden. Ik doel op het eerste lachen waarmee een kind zijn ouders verrukt. Het kind is er en het lacht, raadsel­achtig, onwetend. Het kan nog niet uitlachen, alleen toela­chen. Het is een ver­zoend-zijn zonder besef van verzoening. De ouder lacht terug, bevestigd en bevestigend. Het kind is lach-wekkend, maar de lach die het wekt is geen gevolg van vervreemding, ze gaat daar aan vooraf.

Wellicht is het zo dat de lach waarmee wij later, volwassen geworden, het leven in al zijn ambiguïteit, met al zijn tekorten en gebreken, het leven dat soms niet meer lijkt dan een karikatuur van zichzelf, zo nu en dan kunnen bekrachtigen, refereert aan deze kinderlijke lach van een oor­spronke­lijk verzoend-zijn. Een lach waarvan we in zekere zin niet zelf de oorsprong zijn, maar die ons ten deel valt, als een genade. Een lach die niet gericht is op verande­ring of herstel, die niet iets wil bewerk­stelli­gen, en niet begrepen kan worden in termen van functie en nut, maar simpel­weg het er-zijn van het leven aanvaardt in een onher­leidbare vreugde of dank, zonder voorbe­houd, zonder iets mooiers te beloven, zonder iets beters te verwach­ten, zonder het komische en tragische weg te poetsen. De ervaring dat het leven pijnlijke, absurde kanten heeft wordt niet ontkend, maar secun­dair verklaard. De vervreem­ding is onder­geschikt aan de verzoe­ning met die vervreemding. Deze lach zegt zoiets als: 'Het is goed, ook al klopt het niet.'

Een literator kan het mooier zeggen dan een filosoof. De laatste regels van de prachtige roman Love and Garbage van Ivan Klima luiden:

I walked to the river, spread my legs, and aimed the nose of my paper flying machine obliquely at the sky. It rose up, perhaps assisted by the updraught from the water or perhaps just because, thanks to Dad's instruc­tion, I had made it particularly well, but it was quite a while before it abandoned its upward course, and I, following it with my eyes, saw the blue of the sky and a few seagulls and above them a white cloud gilded by the sun. Then my glider began to lose height and circling down it settled on the water. I watched it slowly and irretrievably floating away into the distance.
Re­member that a man never cries, unexpectedly came my father's voice in the silence around me.
I'm not crying, I said, and from somewhere deep down within me unexpectedly came a sound of laughter like that which, in my childhood, used to make me happy.

Literatuur is echter niet alleen de vindplaats van fundamentele erva­ringen. Soms hoeven we niet verder te kijken dan het dagelijkse leven: daar waar vrienden en geliefden elkaar met een glimlach begroeten. "The smile of love is a kind of intimate recognition and acceptance of the other's presence - an involuntary acknow­ledgement that his existence gives you pleasure."

Verschenen in Intermediair 27, 2002 en in Filosofie en Praktijk 3, 2001