Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Over twee vormen van kiezen


Een veelheid aan keuzemogelijkheden ligt voor ons open. Niet alleen op materieel gebied, maar ook op het terrein van het werk, de menselij­ke relaties, de moraal, de politiek, de informatie en de reisbe­stem­mingen. Ja zelfs - door de ontwikkelingen in wetenschap en techniek - als het gaat om je eigen ge­slacht, kinderwens en wijze van doodgaan, valt er tegenwoordig te kiezen. In geen enkele andere tijd heeft de keuzevrij­heid zo'n groot bereik gehad als in de onze. Deze feitelijke situatie lijkt daarmee tegemoet te komen aan het morele ideaal van een bepaalde opvatting van autonomie: een mens moet in staat zijn om zelf de richting en inhoud van zijn leven te bepalen, zijn wil te realiseren. De keuzevrijheid zou op concrete wijze uitdrukking geven aan deze zelfbe­paling.

Natuurlijk is dit ideaal aan sociale en autobiografische restric­ties en voorwaarden gebonden, zowel van moreel-juridische als fysiek-psychologi­sche aard. De vrij­heid wordt bijvoor­beeld gelimiteerd door het schadebegin­sel: je mag niet zo kiezen dat je de vrijheid en de lichame­lijke integri­teit van een ander aantast. De anderen begrenzen je keu­ze. Aanranding of verkrach­ting is geen redelijke optie. Verder word je in je keuze begrensd door jezelf, je eigen beperkingen. Het heeft geen zin te kiezen voor iets dat niet voor jou is weggelegd. Een baan waarvoor je de capaci­teiten, de papieren en de ervaring mis, is geen reële optie.

Om te kunnen kiezen moet je meerdere (minstens twee) reële opties hebben. Je moet vervolgens in staat zijn om een van deze opties te selecte­ren. Dat wil zeggen: je moet keuzemogelijkheden kunnen afwegen in het licht van je voorkeuren, verlangens en overtuigingen. De keuze die de grootste bijdrage levert aan de realisering van je doel heeft de voor­rang. Men spreekt dan van een rationele keuze. Kortom, kiezen betekent in dit geval de relatief beste optie kiezen uit meerde­re reële en redelijke mogelijkheden om aan je verlangens tegemoet te komen.

Het is niet moeilijk om in het dagelijkse leven deze vorm van kiezen terug te vinden. Het past in het model van de (economische) markt waarin er voor ieder wat wils is. De een verlangt naar de zon, de ander naar de bergen, weer een ander naar een land waar hij de taal kan verstaan. De een heeft een voorkeur voor filosofie in een populair jasje, de ander zoekt zijn begeerte naar wijsheid in streng-wetenschappe­lijke vakbladen en weer een ander houdt zich liever bij de krant en de literatuur om zijn behoefte aan mensenkennis te bevredigen. De een wil dat het milieu meer aandacht krijgt in de politiek en brengt op grond daarvan zijn stem uit. De ander vindt dat het land een sterke betrouwbare leider nodig heeft en kiest daarom partij X, ook al kan hij zich niet volledig vinden in haar verkiezingspro­gramma.

Men selecteert, weegt af en sluit compromissen, want niet alle voorkeu­ren zijn even goed met elkaar te verenigen. Men wil kinderen én een carrière; men wil de vrijheid van de auto, maar niet in de file staan. Men verlangt naar rust, maar ook naar de genoe­gens van de stad. Men zoekt naar seksuele hartstocht en een stabiele relatie. Men kiest lekkere en toch betaalbare wijn, maar moet er vaak water bij doen. Het blijkt een hele toer te zijn om steeds de juiste keuzes te maken, al is het alleen maar omdat je bij de meeste keuzes ook 'andere dingen inlevert'.

Kiezen impliceert verliezen van andere waardevolle opties. Men kan de tijd nog zo efficiënt indelen, het feit blijft dat de realise­ring van bepaalde keuzes andere opties reëel onmogelijk maakt. Aan veel keuzes kleven nadelen. Het is bovendien bij voorbaat niet uit te sluiten dat het kiezen van een andere optie op de langere termijn toch beter had uitgepakt. Kortom, de veelheid van keuzemogelijkheden, waar onze samenleving prat op kan gaan, heeft zijn prijs. Deze veelheid maakt niet alleen de kans groter dat iemand zijn verlangen kan vervullen, ze maakt hem ook des te bewuster van het feit dat vele verlangens ook onvervuld moeten blijven. Niet in de laatste plaats omdat elk vervuld verlangen weer nieuwe verlangens en voorkeuren genereert: de opheffing van elk gemis roept een nieuw gemis op.

Er zit dus een inherente frustratie in de logica van het kiezen. Een van de paradoxen van het hedendaagse leven is dat je met de onbegrensdheid van het aantal keuzemo­ge­lijkhe­den de begrenzing van het leven sterker kan voelen. Absoluut gezien kun je steeds meer kiezen, maar relatief gezien steeds minder. Er blijven steeds meer boeken ongele­zen, tentoonstel­lingen onbe­zocht, programma's onbekeken en levens onge­leefd. Staat de mens eindelijk helemaal op eigen benen, bevrijd uit het keurslijf van religieu­ze, patriar­chale en andere beperkin­gen, kan hij eindelijk helemaal over zichzelf beschikken en kiezen wat hij met zijn leven wil, ervaart hij vooral de eindigheid en beperking ervan!

Het gevaar is dan niet denkbeeldig dat het verlokkelijke ideaal van de zelfbepa­ling kan verkeren in de realiteit van een vluchtig zappen langs allerlei opties, die wellicht niets anders is dan de verhulling van een verlammende impasse van het niet-meer-kunnen-en-willen-kiezen. Juist de veelheid kan, in plaats van iemands wil te prikke­len en te active­ren, tot verve­ling leiden. Verveling ontstaat immers niet omdat iemand geen keuzemoge­lijkheden heeft, maar omdat deze mogelijkheden voor hem geen realiteitswaarde kunnen krijgen. Verve­ling is zo een negatief teken van de vrijheid - de vrijheid die geen raad meer weet met zich­zelf; de vrijheid die zelf een optie blijft, omdat ze zich gedwongen ziet te kiezen en het toch niet kan, omdat de opties voor hem geen werkelijk verschil meer uitmaken. Voor de verveelde is alles om het even: alles is beschikbaar, maar niets boeit of bindt hem. Verveling heeft dus niets met rust (ledigheid) te maken, eerder is ze een van de uitingen van de innerlijke onrust (het gevoel van zinledigheid) waar de kiezende mens aan ten prooi kan vallen.

Met dit concept van de keuze dat gebaseerd is op een selectie uit meerdere alternatieven op grond van een persoonlijke voorkeur kan men op allerlei terreinen uit de voeten. De Deense filosoof Sören Kierkegaard (1813-1855) brengt echter een andere opvat­ting van kiezen naar voren, die duide­lijk maakt dat dit concept niet voldoet om de totstand­ko­ming en cultive­ring van iemands morele en persoon­lij­ke identi­teit te begrijpen.

Als je probeert na te gaan waardoor je bent die je bent dan ontdek je al snel de grenzen van je eigenmachtigheid. Voor een belangrijk deel ben je een samenhang van identificaties die zich als het ware achter je rug om hebben voltrokken. Alvorens je je bestaan actief ter hand kan nemen, tref je je al aan. Je hebt je ouders, je karakter, je culturele achtergrond niet gekozen. Als er al sprake is van zelfbepaling dan op grond van een hardnek­kige bepaaldheid waar je geen voorkeur voor kon hebben. Het zelf is niet een item onder andere. Een mens kan zichzelf niet kiezen zoals hij een film, een cadeau of een menu kiest.

Kiezen op grond van een voorkeur impliceert de mogelijkheid om meerdere alternatieven te vergelijken aan de hand van een (persoonlijke) standaard. Zo'n vergelijking is in het geval van de persoonlijke identiteit niet mogelijk. Je kunt je niet losmaken van jezelf om vanuit een onafhanke­lijk standpunt dit 'jezelf' tegen een 'ander zelf' af te wegen. Te zeggen dat je ook een ander leven had kunnen leiden als je toen en toen anders had gekozen is in een bepaalde zin onzinnig, omdat je hier twee keer wat anders betekent en dat andere leven dus niet het leven geweest zou zijn dat je nu herkent als het jouwe. Je bent altijd al betrokken in een 'film' - de film van je leven -, en kunt alleen vanuit die betrokkenheid een andere film waarderen, zonder evenwel zomaar uit je eigen film weg te kunnen lopen, omdat die andere je beter zou bevallen.

Als Kierkegaard in zijn hoofdwerk Of-Of (1843) het kiezen van zichzelf voorstelt als de ethische eis bij uitstek dan gaat het hierbij niet om een keuze voor een aantal alternatieven van leven, maar om de morele beaming van juist dit leven als het jouwe. Dat wil zeggen: om de erkenning dat dit leven een intrin­sieke (objectieve) waarde heeft waarvoor je (in eerste en laatste instantie) verant­woordelijk bent. Het alternatief dat gesuggereerd wordt door de titel Of-Of betreft dan ook die fundamentele erkenning: iemand kan zijn verant­woorde­lijkheid voor zichzelf, zijn waarde immers ook uit de weg gaan. Die waarde is geen optie in een geheel van waarden die je met elkaar zou kunnen vergelijken; ze heeft geen relatieve, maar een absolute status. Dat betekent: hoezeer je je ook in van alles met andere levens kunt verge­lijken, en je verlangens en behoef­ten kunt spiege­len aan die van anderen, je blijft als morele betrokken­heid op je eigen leven onverge­lijkbaar en uniek, een absoluut zelf.

Moreel kiezen is volgens Kierkegaard geen optioneel kiezen. Het wil veeleer zeggen: de verantwoordelijkheid nemen voor iets dat je niet (selectief) gekozen hebt, maar waarmee je buiten je autonome ik om al mee verbonden was. Morele vrijheid is dan ook niet primair de keuzevrijheid, maar de vrijheid om zich te verplichten aan een leven dat (in de dubbele zin van het woord) gegeven is - een verplichting die meer dan wat ook een grens stelt aan de keuzevrijheid. 'Wie in staat is zijn levensopga­ve ethisch te bepalen, heeft in het algemeen niet zo'n grote keuze', merkt Kierkegaard bij monde van een van zijn pseudoniemen in Of-Of op.

Deze vorm van kiezen laat zich goed illustreren aan de hand van het thema dat Kierkegaard zelf het meest onderzoekt in Of-Of: de liefde. Hoewel het onmiskenbaar is dat mensen hun voorkeuren hebben als het om liefdes­partners gaat ('zij is niet mijn type'), is het doorgaans niet zo dat ze hun geliefde selecteren uit een aantal gegadigden, die op hun beminnens­waardige eigenschappen zijn gescreend en vergeleken. Je wordt niet verliefd op een verzameling kenmerken, maar op een onverwis­selbaar, uniek persoon. Natuur­lijk doen die kenmerken ertoe, maar deze zijn onlosma­kelijk met de drager ervan verbonden. Verliefdheid is niet het resultaat van een welover­wogen keuze, maar eerder een hartstochtelijk antwoord op iemand die zich, niet zelden tegen de redelijkheid in, heeft aangediend en daarna onmoge­lijk nog is weg te denken. Iemand die echt verliefd is, heeft juist niet het gevoel dat hij nog andere keuzemogelijk­heden heeft. En hoewel teleurstellingen en verdriet voor hem niet uit te sluiten zijn is hij in ieder geval wel gevrij­waard van de frustraties die inherent zijn aan het optione­le kiezen. Men zegt: liefde maakt blind, en men bedoelt dan blind voor de minder aangename kanten van de beminde. Het zou ook kunnen betekenen: blind voor andere 'liefdesop­ties'.

Niettemin speelt het kiezen volgens Kierkegaard in de liefde een belangrijke rol. En dat moet naar analogie van het kiezen van zichzelf begrepen worden: zoals het zelf is de geliefde al voorondersteld in de keuze. Het kiezen is geen antwoord op de vraag 'wie?', maar op de vraag 'hoe?': de beminde niet alleen onder het opzicht van lust en begeerte, maar ook van trouw en verantwoordelijkheid - en die twee 'mogelijkhe­den' vloeien niet noodzakelijkerwijs uit elkaar voort. Het kiezen beaamt de geliefde als iemand aan wie de minnaar zich verplicht acht, ook dan wanneer de onmiddellijke lichamelijke bekoring haar aanvankelij­ke glans zou verliezen. Het ja-woord, zoals men dat uitspreekt in de huwe­lijksvol­trekking, zou men kunnen beschouwen als een concreet symbool van de (meestal al langer bestaande) intentie om een erotisch-esthetisch verlangen te 'bekleden' met ethische verantwoor­delijkheid; om niet alleen het geluk van het van elkaar genieten maar ook het geluk van een wederzijdse verplichtende vrijheid te (be)proeven.

Het is door de keuze dat volgens Kierkegaard het leven ethisch wordt, terwijl het ethische tegelijkertijd geïmpliceerd is in de keuze. Kun je deze keuze rationeel noemen? In ieder geval kun je haar niet rechtvaar­digen louter en alleen door een beroep te doen op goede redenen; redenen die altijd relatief en voorlopig zijn. Misschien moeten we met Pascal zeggen dat het in deze keuze gaat om redenen van het hart die de rede niet kent, of misschien meer in de lijn van Kant om een rationaliteit die het eindige verstand (van de keuze­vrijheid) te boven gaat.