Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Niet zielig wel kwetsbaar

Een pleidooi voor een politiek van mededogen

‘Die mensen zijn niet zielig', antwoordt minister Verdonk op critici van haar uitzettingsbeleid. Van de korte filmpjes die onder de naam 26.000 gezichten van een aantal van de uitgeprocedeerde asielzoekers gemaakt zijn, moet zij dan ook niets hebben. Door dikke juridische dossiers terug te brengen tot vijf minuten suggestieve beelden, waarin de feiten geheel in dienst zouden staan van het sentiment van het medelijden dat de geportretteerden moeten opwekken, wordt de publieke opinie op het verkeerde been gezet. Alsof die mensen alleen maar slachtoffer zijn, en niet willens en wetens hun toekomst op het spel hebben gezet door te veronderstellen dat ze hier hoe dan ook wel konden blijven. Eigen verantwoordelijkheid: dat is het motto van de regering waar Verdonk deel van uitmaakt. En dat geldt niet alleen voor de Nederlandse burgers maar ook voor hen die van ver hier hun heil komen zoeken. Alleen de meest schrijnende ‘gevallen' mogen op clementie rekenen.

Beter een politiek die de mensen wijst op hun eigen verantwoordelijkheid dan een die zich laat leiden door de emotie van het mededogen - het lijkt evident in een tijd waarin, al dan niet uit bezuinigingsoverwegingen, de verzorgingsstaat hervormd moet worden. Heeft die staat, met haar veelvertakte geïnstitutionaliseerde solidariteit, die zich heeft vertaald in allerlei financiële regelingen en compensaties, er immers niet voor gezorgd dat te veel mensen zich in hun rol van passieve afhankelijkheid konden opsluiten? De hand ophouden in plaats van de handen uit de mouwen steken - dat is waarhet allemaal in resulteert, maar is het niet juist het tweede waarmee iemand respect afdwingt?

Nee, de tijdgeest werkt niet mee aan een apologie van het mededogen in het publieke domein. Het is een emotie die refereert aan aspecten van het menselijk bestaan die we liever verre van ons houden. Waar actieve zelfstandigheid, vrijheid en onafhankelijkheid zich presenteren als kernwaarden van het moderne leven, en de bron zijn van iemands zelfrespect, legt mededogen immers de nadruk op de hulpeloosheid, machteloosheid en afhankelijkheid van de mens. In deze vorm van betrokkenheid wordt de ander in zijn rol als slachtoffer gezien en niet als iemand die de regie voert over zijn leven en in staat is zijn eigen boontjes te doppen. Maar het is precies het laatste dat essentieel wordt geacht voor de menselijke waardigheid.

Ook de taal rondom mededogen zorgt vooral voor negatieve connotaties. De meelijwekkende figuren, de stakkers, de zielige mensen: niemand wil daarbij horen, want het zijn de verliezers, de losers van het leven. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat mededogen bij de ontvanger ervan wrevel en woede kan opwekken. Hoe goed bedoeld ook, het wordt gemakkelijk ervaren als een bevestiging van de vernederende, armzalige positie waarin iemand verkeert. Mededogen is dan het zout in de wonde. Bovendien komt en passant de verheven positie van diegene die mededogen heeft aan het licht. ‘De stakker', zo zeggen we, en ondertussen verheugen we ons stiekem in onze superioriteit. Mededogen blijkt een manier te zijn om ingenomen te zijn met onszelf: de beklagenswaardige ander vormt de spiegel van onze eigen kracht en zelfgenoegzaamheid. Dat mensen zich verzetten tegen dit medeleven zou dus alleen maar goed zijn: hét teken dat zij niet gereduceerd willen worden tot een slachtoffer, van het leven en van de feelgood-betrokkenheid van anderen. ‘Ik hoef je medelijden niet' - in de boosheid van deze uitspraak schuilt het zelfrespect van iemand die niet zonder meer in zijn kwetsbaarheid wenst te worden aangesproken.

Mededogen is dus verdacht. Het zou een cultuur van slachtofferschap en vernedering in stand houden. Het zou voorbijgaan aan dat wat echt belangrijk is, het vermogen en de kracht het leven zelf vorm te geven en te dragen. Dit in de ander te respecteren zet meer zoden aan de dijk dan mee te voelen met zijn ellende, zeker als we beseffen dat in dit gevoel het eigenbelang - de prettige gedachte dat we zelf geen stakkers zijn - nooit ver weg is.

En daar komt nog iets bij. De focus op de mens als slachtoffer zou verhinderen dat we zicht krijgen op de eigen verantwoordelijkheid voor het leed dat mensen treft. Mededogen schort het oordeel op; het is dé manier om de vraag te ontlopen in hoeverre iemand zelf schuldig is aan zijn hopeloze situatie. Maar volgens de Britse arts Theodore Dalrymple ligt juist in de weigering om over anderen te oordelen, en aldus de oorsprong van hun ellende bij henzelf te leggen, een belangrijke oorzaak dat die ellende voortduurt. In zijn boek Leven aan de onderkant schetst hij een onthutsend beeld van de Engelse onderklasse die met dank aan een softe hulpverleningscultuur van begrip en medelijden zich wentelt in zelfbeklag, en niet of nauwelijks de hand in eigen boezem steekt. Huiselijk geweld, roof, mishandeling, vaderloze gezinnen, drugsgebruik - het lijden kent vele gedaanten. Maar mee lijden is niet de oplossing, aldus Dalrymple. Integendeel. We moeten afstand nemen, durven oordelen, en de mensen wijzen op hun eigen grote rol in hun leed. Mededogen daarentegen ontkent de lastig te erkennen waarheid dat slachtoffers vaak ook daders zijn; dat mensen niet louter het product zijn van een onrechtvaardig systeem, een ongelukkige jeugd, de omstandigheden of het wrede lot, maar dat ze vrij zijn, keuzes kunnen maken en dus voor een belangrijk deel aansprakelijk voor wat er met henzelf en hun naasten gebeurt. Aldus opgevat verschijnt mededogen, die affectieve bekommernis om de ander die het slecht gaat, bijna als iets immoreels: het neemt de ander de waardigheid van zijn vrijheid en verantwoordelijkheid af en helpt mee het lijden en het kwaad te bestendigen door de bron ervan geheel buiten de persoon te situeren.

De bezwaren tegen en gevaren van mededogen overziend lijkt niets in de weg in te staan deze betrokkenheid af te wijzen en te vervangen door het nuchtere respect voor de zelfstandigheid en handelingsbekwaamheid van mensen die zich verantwoordelijkheid weten voor hun eigen leven. Deze stap gaat echter veel te ver. We moeten het kind niet met het badwater weggooien. Mededogen op zichzelf is goed noch slecht. Het gaat erom te bepalen onder welke omstandigheden en voorwaarden het gepast is; zaak is te laten zien dat het, mits gepast, niet vernederend is en geen tegenstelling vormt met respect, maar er integendeel het complement van vormt.

Allereerst is dan de ernst van het lijden van de ander van belang. Iemand die gebukt gaat onder het verlies van iets triviaals heeft een schop onder zijn kont nodig en geen mededogen. De rampspoed moet aanzienlijk zijn, het gaat erom dat de ander in zijn bestaan zelf getroffen is - zoals bijvoorbeeld bij dood van geliefden, ziekte, armoede, mishandeling, ontrouw, onvruchtbaarheid, eenzaamheid. Mededogen behelst een oordeel over de omvang van het leed, en dat ook als de ander dit oordeel zelf niet of anders velt. Een demente bejaarde wekt mededogen, terwijl of juist omdat hij zelf niet meer in staat is om zijn lijden onder ogen te zien.

Daarnaast gaat het erom dat het lijden voor een belangrijk deel onverdiend is. Mededogen is alleen terecht als iemand niet zelf schuld heeft aan zijn eigen pijnlijke toestand. In haar boek Oplevingen van het denken stelt de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum: ‘Als we denken dat iemand de problemen zelf heeft veroorzaakt, zullen we beschuldigingen of verwijten uiten, maar hebben we geen mededogen.' In tegenstelling tot wat critici van deze emotie beweren is het dus niet zo dat mededogen de kwestie van schuld en verantwoordelijkheid altijd uit de weg gaat. Integendeel. Maar anders dan die critici legt gepast mededogen de nadruk op het feit dat er ook veel ellende is dat mensen buiten hun toedoen treft. Het mededogen in deze zin ontkent in het geheel niet het belang van eigen kracht en onafhankelijkheid voor een waardig leven, maar heeft daarnaast oog voor de tragische kant van zo'n leven: niet alles van waarde heeft de mens in de hand, veel valt hem toe, maar kan hem bijgevolg ook ontvallen. Het erkent dat de mens, hoe autonoom en handelingsbekwaam ook, aan de genade van de wereld blijft overgeleverd. Kortom, we hoeven niet al het ergs waar we aan lijden aan de omstandigheden en het lot toe te schrijven - zoals mensen die hun eigen verantwoordelijkheid willen ontlopen geneigd zijn te doen - om de rol ervan in het leven te onderkennen. Anders gezegd, een apologie van het mededogen is geen pleidooi voor een cultuur van (vermeend) slachtofferschap en zelfmedelijden maar impliceert aandacht voor het gegeven dat mensen, naast waardige tot zelfstandig handelen in staat zijnde individuen, ook regelmatig slachtoffer zijn zonder dat dit hun te verwijten valt.

Eerder dan de afstand tussen winnaars en verliezers van het leven extra in de verf te zetten, overbrugt deze aandacht juist het verschil tussen hem die lijdt en hem die voor dit lijden oog heeft, in het besef immers dat dit lijden ook hem kan treffen, dat het meer tot de condition humaine behoort dan hij in de kracht van zijn leven geneigd is te denken. De erkenning van de eigen kwetsbaarheid voor het lot is een belangrijke psychologische voorwaarde om op passende wijze mededogen te hebben met anderen; maar juist deze erkenning is afwezig bij het medelijden dat vernedert.

In het licht van deze analyse verschijnt de tegenstelling tussen een politiek die de eigen verantwoordelijkheid centraal stelt en een politiek die het mededogen uitdraagt en cultiveert als vals. Dat de geportretteerde asielzoekers in de filmpjes van 26.000 gezichten niet zielig zijn, zoals Verdonk terecht heeft opgemerkt, sluit volstrekt niet uit dat ze ons terecht met mededogen vervullen, en dat we daar politieke consequenties aan verbinden. Kwetsbaar en gekwetst zijn ze immers wel, niet in de laatste plaats omdat het jarenlange ontbreken van een echte status hen juist heeft verhinderd een zelfstandig bestaan op te bouwen. Wat de filmpjes aangrijpend maakt, is juist het besef dat het hen, mensen (met kinderen) zoals wij, met hun verlangens en verwachtingen, ontbeert aan de elementaire voorwaarden voor wat ons, al te vanzelfsprekend, een waardig, gerespecteerd leven toeschijnt. Het is dan ook nogal goedkoop, ja stuitend hardvochtig, te beweren dat zij, omdat ze er zelf, met alle onzekerheid van dien, voor gekozen hebben om te blijven procederen voor een permanente verblijfsvergunning, volledig zelf schuldig zijn aan hun wanhoop, machteloosheid en verdriet.

Opgesloten in het zelfmedelijden van het slachtofferschap ontlopen mensen maar al te vaak de verantwoordelijkheid voor het leven dat ze leiden. Maar deze waarheid behoeft aanvulling van een andere: het eenzijdig hameren op de eigen verantwoordelijkheid kan een verhullende manier zijn om mensen in de kou te laten staan, en sluit de mogelijkheid van een echte politiek van mededogen uit.