Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Jezelf zijn

In gesprekken en discussies over moraal zoemen altijd dezelfde woorden en uitdrukkingen rond. 'Respect', 'tolerantie' en 'het herstel van normen en waarden' doen het goed voorzover het gaat om de omgang met mensen in onze plurale samenleving. Ethiek gaat echter niet alleen over de relatie met de ander. Van oudsher heeft ze ook nagedacht over de vraag hoe de mens zich tegenover zijn eigen leven moet verhouden, hoe hij zichzelf gestalte kan geven. In onze tijd wordt het antwoord op die vraag niet zelden samengevat in het populaire 'jezelf zijn'. Wees jezelf - dat is het (media)devies waarmee de hedendaagse mens het levenspad wordt opgestuurd. Maar net zoals alle andere morele begrippen heeft 'jezelf zijn' geen eenduidige betekenis. Achter de vanzelfsprekendheid waarmee het te pas en te onpas wordt gebruikt schuilen vele wijsgerige vragen en met elkaar conflicterende mensbeelden. Hoe probleemloos 'jezelf zijn' ook klinkt - en helemaal in combinatie met het zonnige Veronica-woord 'lekker' (lekker jezelf zijn) - het is verre van eenvoudig om deze morele eis te doorgronden, laat staan hem zomaar te vervullen.

'Jezelf zijn' wordt voorgesteld als een ideaal en is niet zonder meer een feit. Op zich kan dat al verwonderlijk schijnen. Ben ik niet altijd al mezelf? Wie of wat zou ik anders kunnen zijn? Hoe kan ik streven naar datgene wat me nog meer toebehoort dan mijn lichaam: mezelf? Wie zal ontkennen dat iemand onverhoopt een arm zou kunnen verliezen, maar daarmee nog niet zichzelf verliest? Ik kan mezelf niet kwijtraken zoals ik mijn portemonnee, mijn concentratie, mijn gezichtvermogen of mijn sprintsnelheid bergop kan kwijtraken. Maar toch menen we te weten (voelen we aan?) wat iemand bedoelt als hij zegt: 'In die omgeving, bij die mensen kan ik echt mezelf zijn.' Of negatief: 'Het was beter de relatie uit te maken want ik verloor mezelf erin.' Of: 'Als ik alleen ben, wandelend en fietsend door de natuur, dan heb ik pas het gevoel samen te vallen met mezelf.' Dit soort zinnen lijkt aan reële ervaringen te beantwoorden: een mens kan wel en niet zichzelf zijn. Zou je het niet als een lakmoesproef van liefde en vriendschap kunnen beschouwen of beide personen in staat zijn de ander zichzelf te laten zijn? Maar wat is dan eigenlijk dat 'zelf' dat hij is en tegelijkertijd heeft te zijn, dat hij ogenschijnlijk niet kan verliezen maar toch ook nog moet verwerven?

De morele opdracht 'wees jezelf' is geen loze kreet maar heeft wel een sterk formeel karakter. Ze is modern in die zin dat ze niet meer direct verwijst naar een inhoudelijk bepaalde levensvorm, naar een door religie of levensbeschouwing aangereikte morele voorbeeldigheid. De oproep overstijgt iedere particuliere moraal, juist door iedere persoon aan te spreken op zijn eigen particulariteit: jij moet jezelf zijn, dat wil zeggen iemand die alleen jij kunt zijn. Dat betekent niet dat ze zonder meer in strijd is met een christelijke of Griekse ethiek, niettemin is haar inzet anders. De oproep 'wees een goed christen' is in wezen gebaseerd op navolging, imitatio Christi. Leef zoals Jezus het ons heeft voorgedaan. Hij is onze morele maat, zelfs of juist omdat we beseffen dat we zoveel minder zijn dan hij. Ook Aristoteles schetst zijn Griekse lezers in zijn Ethica Nicomachea de exemplarische kracht van een moreel ideaal in de vorm van de meest geslaagde man. Aan hem kunnen de levens van andere gewonere stervelingen afgemeten worden. Het ware gelukkige leven blijkt maar voor weinigen weggelegd te zijn.

In onze tijd heeft de idee postgevat dat ieder mens zijn eigen maat is. Hij moet zich niet meer richten naar een algemeen erkend (voorgeleefd) voorbeeld. Het gaat er juist om dat hij het unieke individuele karakter van zijn leven recht doet. Moreel slagen of mislukken wordt daarvan afhankelijk. De filosoof Charles Taylor verwoordt het in zijn boek De malaise van de moderniteit zo: 'Er is een bepaalde manier van mens-zijn die de mijne is. Ik ben geroepen mijn leven op deze manier te leven, en niet als nabootsing van dat van iemand anders. Maar dat verleent een nieuw belang aan de trouw aan mijzelf. Als ik dat niet ben, mis ik het doel van mijn leven, ik mis wat mens-zijn voor mij betekent.' (cursief in origineel) De mens moet, als dit niet raar klinkt, zijn eigen voorbeeld zijn. Er gaat een appèl uit van hemzelf aan hemzelf. Hij is geroepen zichzelf te zijn, en alleen hijzelf kan deze roep verstaan en beantwoorden. De roeping die vroeger aan priesters was voorbehouden en die geacht werd van God te komen is vervangen door een roeping die ieder mens betreft en die lijkt te huizen in zijn eigen innerlijk. Nogmaals: de ene roeping sluit de andere niet uit. Immers, er zijn genoeg mensen die zeggen het meest zichzelf te zijn juist wanneer ze hun leven wijden aan God.

Het gaat er dus om dat de mens leeft volgens zijn doel, dat hij daarbij zijn eigen authentieke gang gaat en zo trouw is aan zichzelf. Dat wil zeggen dat hij zich niet primair moet laten leiden door wat anderen hem zeggen en voorhouden, dat hij zich niet laat 'leven' door conventies en opgelegde verlangens en gebruiken. 'Zichzelf zijn' impliceert allereerst dat de mens teruggeworpen is op zichzelf, op zijn eigen overgave, daadkracht en besluitvaardigheid als hij vorm en richting wil geven aan zijn leven.

Van belang is nu te onderkennen dat het ideaal van 'zichzelf zijn' een dynamische opvatting van de mens veronderstelt. 'De mens is het niet-vastgestelde dier', zoals Nietzsche het formuleerde. 'Zichzelf zijn' betekent niet een afgerond geheel vormen, maar voortgedreven worden door de eigen bestemming. Alleen in de dood is de mens 'af', pas dan is de opdracht 'wees jezelf' verstomd. Zolang hij leeft is het zijn van de mens een worden. Zichzelf zijn is een permanent proces van zelfwording, van zichzelf verwerkelijken. In de woorden van Kierkegaard: 'In zoverre het zelf niet zichzelf wordt, is het niet zichzelf.' Het is dus geen tegenspraak als de moderne mens zichzelf wil zijn en tegelijkertijd voortdurend bekommerd is om zijn zelfontplooiing en niet ophoudt 'aan zichzelf te werken'. Zichzelf zijn is zo bezien geen prettig aanvoelende zelfgenoegzaamheid (lekker jezelf zijn) maar een permanent zichzelf waarmaken.

Maar wat is dan die eigen bestemming? Hoe weet een mens dat hij zichzelf is/wordt, dat hij zichzelf waarmaakt, zijn ware zelf realiseert? Is er nog een ander criterium om daarover te beslissen dan het negatieve: zich onttrekken aan de stem van de mode, van wat 'men zegt', zich niet laten bepalen door de heersende opinies en de algemene smaak van een bepaalde levensstijl? En hoe gaat deze zelfrealisering in zijn werk? Wat doet of laat de mens dan?

Wat de eerste vragen betreft: die bestemming kan in ieder geval niet van tevoren vastliggen. Er is geen sprake van predestinatie. Van het leven is geen blauwdruk die vervolgens alleen nog ingevuld hoeft te worden. De levensbestemming ontvouwt zich al doende (en latende). Dat iemand zichzelf kan 'vinden' wil paradoxaal genoeg niet zeggen dat dit zelf ergens verborgen op hem lag te wachten. Het ware zelf is wellicht net zo weinig voorgegeven als 'de ware' waar menige romanticus in de liefde naar smacht. Het ware zelf vormt zich al dan niet in het leven, zoals 'de ware geliefde' al dan niet ontstaat en bewaard blijft in het liefhebben.

De levensbestemming laat zich niet vooraf vastleggen. Niettemin kan ze ook niet willekeurig wat zijn. Kierkegaard heeft erop gewezen dat het proces van zelfwording zowel de erkenning van een open toekomst veronderstelt als die van een gegeven verleden. Ieder mens is geworteld in een geschiedenis (van zichzelf, van een familie) die de mogelijkheden van zijn zelfrealisatie zowel inperkt als richting geeft. Je kunt de oproep jezelf te zijn dan ook miskennen als je te veel droomt, je in je plannen en doelstellingen geen rekenschap geeft van diegene die je al geworden bent. Jezelf zijn is in Kierkegaards optiek dan ook sterk verbonden met zelfaanvaarding. Wie niet in het reine kan komen met zijn verleden zal zijn eigen bestemming maar moeilijk kunnen vinden.

Je moet je verleden niet ontvluchten (zoals de romantische fantast doet) maar je moet het ook niet fixeren. Dit is de neiging van de cynische fatalist. Ook hij zal stranden in zijn opdracht tot zelfrealisatie omdat voor hem de toekomst eigenlijk al vastligt: zoals de fantast de openheid van het leven te groot maakt en verzuipt in een zee van mogelijkheden zonder een daadwerkelijk houvast te kunnen vinden, zo sluit de fatalist die openheid tot één mogelijkheid: het leven is zo en zo zal het blijven. Als een stilstaande poel die niet meer gevoed wordt met nieuw water.

Jezelf zijn is geen simpele opgave, de oppervlakkige media ten spijt. Wat in de reclame een fluitje van een cent lijkt als je je maar met het goede bier in een tuinstoel nestelt of het juiste maandverband gebruikt, is in het daadwerkelijke leven niet zelden een worsteling. Het leven laat zich vaak niet dwingen in een voorgespiegeld beeld van hoe het zogenaamd zou moeten zijn. Het lot hebben we niet altijd in de hand. Geluk is niet altijd een keuze, ook al wil de ideologie van de maakbaarheid van het leven ons anders doen geloven. Maar misschien is dat ook wel het mooie: soms beseffen we plotseling dat we het meest onszelf zijn, wanneer we ons opgenomen weten in een groter geheel, dat niet louter afhankelijk is van wat we gedaan hebben, van onze eigen keuzes, beslissingen en maaksels, van een onder eigen regie gevoerde zelfontplooiing, maar dat ons juist geschonken is. Misschien is de mens wel juist zichzelf als hij buiten zichzelf is, verbonden met iets dat of iemand die hij niet heeft bedacht en die zijn narcistische identificatie met zichzelf doorbreekt. Misschien is jezelf zijn niet alleen en niet primair een kwestie van werken aan jezelf maar ook van wat met een oud religieus woord genade heet.