Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Ja, ik wil

Over vrijheid

Vrijheid hoort bij de mens zoals water bij de vis en lucht bij de vogel. Maar waar het bij de laatste twee gaat om natuurlijke condities zonder welke hun bestaan onmogelijk is, gaat het bij de eerste om een antropologische voorwaarde. Zonder de ervaring van vrijheid was er weliswaar leven maar geen menselijk leven, geen leven dat zelf van zich doet spreken én dus ook aanspreekbaar is.

Maar wat houdt die ervaring in? Wat wil dat eigenlijk zeggen dat de mens een vrije wil heeft? Waarin zit hem die vrijheid die hem onderscheidt van (andere) dieren? En wanneer noemen we mensen onvrij?

Een gangbare opvatting zegt dat vrijheid vooral negatief gedefinieerd moet worden. De mens is vrij als hij niet gehinderd wordt in zijn bewegingen of handelingen, als hij onbelemmerd zijn gang kan gaan. Zo vrij als een vogel... De gevangene is bij uitstek onvrij. Vrij staat tegenover gedwongen en gebonden. Vrij is vrij van verplichtingen: de kinderen zijn vrij van school; de vrije tijd is de tijd die niet aan werk besteed hoeft te worden. Vrij zijn wil zeggen niet afhankelijk zijn van anderen. De slaaf is dé belichaming van het tegendeel: de mens die het bezit is van een ander als was hij een ding, maar die juist omdat hij een mens is onvrij genoemd kan worden, dat wil zeggen beroofd van wat wezenlijk hem toebehoort.

Binnen dit kader past ook de ervaring meer of minder vrij te zijn, van gradaties van vrijheid. Iemand verklaart: ‘Ik vind kinderen wel leuk maar dat je er zoveel vrijheid voor moet inleveren, dat doet me sterk twijfelen of ik er wel aan moet beginnen.' Diezelfde man stemt echter misschien wel in met de vrijheidsbeperkende maatregelen die nodig worden nodig geacht om de veiligheid van de burgers te kunnen garanderen. Hoe minder een mens in zijn doen en laten wordt begrensd door persoonlijke en publieke omstandigheden, hoe vrijer hij is. En zo kunnen twee zaken die wel heel ver uit elkaar liggen - de dreiging van terreur én de zorg voor een jong kind - allebei gezien worden als storende factoren in het waarborgen van een optimale vrije speelruimte.

Dat de dreiging van terreur, en de maatregelen ertegen, de vrijheid van burgers aantasten: akkoord. Maar vader of moeder worden, de zorg moeten gaan dragen voor een kind - moeten we dat ook vooral beschouwen als een vermindering van de vrijheid? Onze intuïtie zegt echter dat deze zorg eerder naar een ander begrip van vrijheid verwijst.

Vrijheid is vrij zijn van (bewegings)beperkingen, van (overheids)regels, van de claim en bemoeienis van anderen. Maar vrijheid moet niet uitsluitend opgehangen worden aan het ontbreken van belemmeringen. Er is meer: vrijheid is niet alleen vrij zijn van, maar ook vrij zijn tot. Vrij zijn betekent het vermogen hebben je vrijwillig met iets bepaalds te verbinden, oftewel welbewust voor iets te kiezen. Ik ervaar me als vrij als ik uit overtuiging ja (of nee) kan zeggen tegen iets dat zich aandient.

Waar het in de eerste opvatting van vrijheid gaat om ongebondenheid en onafhankelijkheid, gaat deze vorm van vrijheid juist samen met gebondenheid en afhankelijkheid. Ik kan me niet met eender wat engageren; wat ik in vrijheid kan willen is beperkt. Persoonlijke geschiedenis en karakter, omstandigheden en gelegenheden richten en begrenzen de wilsvorming. Ik kan misschien nog wensen dat ik op mijn drieenveertigste een echte wielrenner zal worden, en een plek zal verwerven in het profpeloton, maar werkelijk willen niet: terwijl de wens zich niets aan trekt van de (lichamelijke) realiteit, kan de wil daar niet om heen.

Willen en kiezen gebeurt niet in het luchtledige, het voltrekt zich in een bepaalde persoon in een bepaalde wereld. Maar deze inkadering van de vrijheid is geen beknotting ervan. Integendeel, deze inkadering is eerder de voorwaarde voor het bestaan van die vrijheid. Een wil die niet van voorwaarden afhangt, kan geen wil zijn die iemand toebehoort.

De ‘negatieve' opvatting van vrijheid - de vrijheid als vrij van beperkingen - is dus maar zeer beperkt. Ze moet gecomplementeerd worden met een ‘positieve' opvatting. Bij deze laatste vrijheid is afhankelijkheid geen ‘straf' of smet maar een voorwaarde om zich te laten gelden. En dan begrijpen we dat vader- of moederschap, het gebonden zijn aan een kind, geen ervaring van onvrijheid hoeft te zijn. Integendeel. In de beaming van deze band, in het daadwerkelijk willen van deze ‘beperking' - het gaat tenslotte alleen om dit kind - tonen we onze vrijheid. Een kind krijgen impliceert in dit perspectief dus niet het inleveren van vrijheid maar het bekleden ervan.

Zo opgevat toont de vrijheid zich dus bij uitstek in het maken van een echte keuze, een keuze waarbij iets - of iemand - echt op het spel staat, en het leven een wending neemt. Vrij zijn: in staat zijn tot een identificatie die mij een identiteit geeft. Deze vrijheid van keuze moeten we niet verwarren met het ideaal van de maximale keuzevrijheid waar vooral in rechts-liberale kringen op gehamerd wordt. Op de eerste plaats wordt in dit ideaal de mens voornamelijk als consument aangesproken: het gaat om opties (voor verzekeringen, energieleveranciers, vakantiebestemmingen, auto's etc.) die mij als persoon grotendeels koud laten - de keuze ervoor bepaalt niet wie ik ben of wil zijn. (Door de verschillende opties suggestief te verbinden met de identiteit van de koper probeert de reclame dat ons overigens wel te doen geloven.)

Op de tweede plaats is er bij de vrijheid als mogelijkheid om een (zelf)bepalende keuze te maken over het algemeen helemaal geen sprake van een veelheid aan opties. Wie echt voor een belangrijke keuze staat, heeft niet zoveel te kiezen. Omgekeerd: wie meent dat zijn vrijheid er louter in bestaat uit vele (levens)mogelijkheden te kunnen kiezen, loochent of ontvlucht het standpunt van zijn eigenlijke vrijheid, de vrijheid die er echt toe doet. Voor wie meent dat een heleboel vrouwen in zijn omgeving in aanmerking komen om tafel en bed met hem te delen, is het ‘ja, ik wil' nog niet aan de orde. Wie trouwt, en zijn trouw uitspreekt, kiest niet uit een aantal gegadigden, maar beaamt die ene. Waar vrijheid identiteitsvormend is, gaat het eerder om een ja of nee: wil ik vader zijn, wil ik met deze vrouw zijn, wil ik koste wat kost deze carrière? Het antwoord op deze vragen opent niet alleen een (levens)weg en een toekomst maar sluit tegelijkertijd ook wegen af. Wij kiezen onze identiteit niet zoals een consument zijn product. Bij de vrijheid wordt geen inruilbonnetje meegeleverd. Dat wil overigens niet zeggen dat een eenmaal gemaakte keuze je definitief vast zou ketenen - de vrijheid blijft intact ook als tot een ja of nee besloten is -, het betekent wel dat we niet op onze schreden kunnen terugkeren alsof er niets gebeurd is. Iemand die besluit te scheiden, wordt daarna niet meer de vrijgezel die hij voor zijn huwelijk was, maar is een gescheiden man en zal met deze identiteit opnieuw zijn vrijheid in de liefde gestalte moeten geven.

De gevangene en de slaaf zijn, in het licht van de negatieve vrijheidsopvatting, onvrije mensen bij uitstek. Zij zijn op een fundamentele wijze belemmerd in hun beweging en in hun mogelijkheden. In het perspectief van de positieve vrijheidsopvatting krijgen we zicht op andere vormen van onvrijheid. Essentieel voor vrijheid is dat iemand zelf de identificatie met dat wat hij wil voor zijn rekening kan nemen. Om vrij te zijn is het nodig dat je kunt zeggen: ik wil. Je moet in staat zijn meester te zijn over je wil. Of specifieker: het gaat erom dat je niet kritiekloos samenvalt met je wil, maar erover kunt oordelen, en haar met overwegingen kunt ondersteunen of afvallen.

Onvrij is hij bij wie de wil als het ware zijn eigen gang en alle kanten op gaat (willekeur). Maar ook hij bij wie de wil gestuurd wordt door een ‘vreemde' macht. Iemand die onder hypnose of gehersenspoeld is of die wordt gechanteerd, is niet vrij in zijn willen. De afgedwongen wil is onvrij. Om een paspoort te krijgen ondertekende Hirsi Ali een verklaring waarin ze zelf de schuld op zich nam van de hele naturalisatie-affaire en die Rita Verdonk zou vrijpleiten van haar opzichtige gestuntel. Uit vrije wil, zoals de minister het parlement en ons wilde doen laten geloven? Om het juridisch rond te krijgen? Laat een meerderheid van de Tweede Kamer die de minister hiermee weg wilde laten komen zich schamen! Maar zelfs Jan Peter B., onze normen-en-waarden-premier is de schaamte allang voorbij, en laaft zich aan het politieke opportunisme dat zelfs ministeriële chantage toestaat.

Hirsi Ali kon strikt genomen anders. Er was geen pistool op haar gericht, er was alleen politieke druk, zoals dat zo mooi eufemistisch heet. Ze koos voor de pragmatische weg: eigenlijk wilde ze niet die verklaring ondertekenen, maar omdat ze er van af wilde zijn en door wilde met haar eigen leven, gaf ze de minister haar zin. Door vervolgens meteen afstand te nemen van die verklaring, werd de afscheidszoen aan haar ‘vriendin' Rita alsnog een kiss of death die uiteindelijk besmettelijk bleek voor de gehele regering. Wie vervolgens zegt dat deze hele affaire veel te klein was voor een kabinetscrisis geeft blijk van dezelfde minachting voor de rechtsstaat waar de populaire minister van Vreemdelingenzaken het patent op lijkt te hebben.

Bij de afgedwongen wil gaat het om externe dwang, de vreemde wil die de eigen wil frustreert komt van buiten. Er kan ook sprake zijn van interne dwang. Ook de dwangmatige wil is onvrij: ze is weliswaar mijn wil, maar omdat ik er geen greep op heb en hij zich niets aantrekt van mijn oordelen en overwegingen, wordt hij tegelijkertijd als een vreemde wil ervaren. Het is de wil van de verslaafde, van iemand die niet anders kan dan toegeven aan zijn verlangen naar alcohol, drugs, seks of gokken, ook al kan hij in een helder moment wel zeggen dat hij dat niet wil. Verslaafd zijn: iets willen wat je niet wilt; niet de slaaf zijn van een ander, maar van je eigen vreemde wil. Of paradoxaal uitgedrukt: ik wil dit, maar ik wil dit niet. Vrij zijn daarentegen betekent dat je je wil nadrukkelijk aan jezelf kunt toeschrijven, dat je je er (na rijp beraad, uit overtuiging) mee kunt identificeren. Ja, Ik wil dit.

De onvrije mens verdedigt zich met: ‘Ik kon niet anders.' Iets in of buiten hem ontneemt hem de regie over zijn wil. Het vreemde is nu dat diezelfde zinsnede - ik kon niet anders - ook de uitdrukking kan zijn van de vrijheid zoals die hier is uitgelegd! Dit is vreemd omdat vrijheid er nu juist in lijkt te bestaan iets anders te kunnen willen. De vrijheid mag dan ingekaderd zijn en altijd afhangen van voorwaarden, de vrijheidservaring bestaat er desondanks in dat ik kan kiezen. De levensweg is niet als de weg van een kogel die ‘geen andere keus heeft' (en dus geen keus heeft!) dan de baan te volgen die de natuurwetten hem voorschrijven.

Die vreemdheid wordt weggenomen als we bedenken dat de woorden ‘ik kon niet anders dan dit te willen' ook kunnen betekenen ‘naar mijn overtuiging is het volgen van deze wil de enige juiste weg'. De vrijheidservaring bestaat er nu juist in dat ik dat wil wat naar mijn oordeel het zwaarste weegt, dat mijn wil luistert naar mijn oordeel - dat ik dus niet zomaar willekeurig wat wil, geheel onafhankelijk van hoe ik erover denk. En inderdaad, wie zou dat laatste voor echte vrijheid willen houden?

En ook deze gedachte laat zich mooi illustreren aan de hand van de politieke opwinding die leidde tot de val van het kabinet Balkenende II. ‘Wij konden niet anders meer', zei Lousewies Van der Laan, toen zij eerst een motie van afkeuring tegen Verdonk steunde, en na de weigering van VVD en CDA om daar iets op uit te doen, het politieke vertrouwen in de regering opzegde. Het ging hier niet om fatale noodgedwongenheid, haar uitspraak getuigde van (politieke) vrijheid. Eigenlijk zei ze iets als: ‘In het licht van wat wij van de D66-fractie belangrijk vinden, de principes van de rechtsstaat, kunnen wij niet anders dan tot deze beslissing komen ten aanzien van deze minister die bij herhaling haar macht misbruikt. Haar aanblijven is een schandvlek die ook het parlement aankleeft. De maat is vol.'

Soms ligt de ervaring van vrijheid in niets meer of minder dan de onvermijdelijkheid van een keuze. Omdat je je ziel wilt redden, niet eerloos wilt worden of ten langen leste een halt toe wilt roepen aan de verloochening van je identiteit. Het is een lichtpuntje in onze democratie dat deze redenen ook voor een politieke partij nog geldingskracht kunnen hebben.

Verschenen in Volzin 14, 2006.