Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Ironie als deugd

Tussen absolutisme en relativisme


1. Moraal heeft niet alleen te maken met het naleve­n van regels en normen, die het samenleven moeten regu­leren, maar ook met het je op een goede manier verhouden tot jezelf (je eigen verlangens en vermogens), tot anderen die een (concreet) beroep op je doen en tot de ein­digheid en vergankelijk­heid waaraan de dingen des levens onder­worpen zijn. Het morele leven valt niet samen met een leven volgens de samenlevingsregels. Discussies over moraal moeten dan ook niet alleen over de vast­stelling van die regels gaan, maar ook (en vooral?) over al dan niet gelukte levens­houdin­gen, en over praktijken van leven waarin die houdingen zijn ingebed; niet alleen over verboden en geboden, maar ook over deugden.

Deugden - het is een archaïsch woord, maar wat zijn morele belang betreft nog steeds actueel. We leven in een tijd waarin oude (reli­gieu­ze) zekerheden verdwenen zijn. De veiligheid, maar ook de benauwd­heid van één overheersende (religieuze) moraal bestaat niet meer. Waar we mee geconfron­teerd worden is een veelheid aan particu­liere levens­ontwer­pen die al dan niet aanslui­ting proberen te zoeken bij een aantal gelijk­gezinden. Wat heerst is een liberale (smalle) moraal, die de preten­tie heeft zoveel mogelijk ruimte te geven aan vele (brede) morele overtui­gingen en praktij­ken. De idee achter deze moraal is dat het onterecht en zelfs gevaarlijk is om één bepaalde levenspraktijk als de dogma­tisch ware te claimen. Deze morele situatie wordt niet zelden negatief gewaardeerd, omdat men bang is dat ze vrij baan geeft aan een vrijblij­vend relativis­me dat de morele motivatie reduceert tot min of meer willekeurige wils- en gevoels­uitingen (emotivisme).

Maar of men het nu betreurt of toejuicht: om­vat­tende substan­ti­ële morele kaders die de mens op zijn plaats en bestem­ming wezen zijn sinds de moderne tijd steeds meer afgekalfd. Een vanzelf­sprekende loyali­teit aan gevestig­de patro­nen, instituties en morele gezags­dragers is bijgevolg aan erosie onderhevig. Dit zijn mede de achtergronden van de zogenaamde individua­lisering van de moraal: de mens wordt in een bepaalde zin meer teruggeworpen op zichzelf, zijn vrijheid (en wat hij ermee 'doet') wordt tot alfa en omega van zijn morele leven. Maar deze individu­ali­sering impli­ceert geen relati­ve­ring, ze kan ook leiden tot een intensive­ring van de morele imperatief van het leven. Amorele of sentimen­tele willekeur en vrij­blijven­de spielerei is maar een van de mogelijk­he­den waaraan de moderne vrije mens zich kan overgeven. Verant­woorde­lijkheid voor en trouw aan het eigen concrete leven in het besef van het toevallige, subjec­tieve karakter ervan is een andere mogelijk­heid. Een her­waarde­ring van een deugdene­thiek kan zo'n intensive­ring begeleiden. Dat wil zeggen een ethiek die in tegen­stelling tot een rationeel-afstande­lijke ethiek van algemeen­geldige normen en regels zijn uitgangspunt vindt in de concrete hande­lingen en houdingen van de mens in zijn parti­culie­re levens­situ­atie.

Een ethisch plura­lisme, dat wil zeggen het bestaan van meerde­re niet tot elkaar herleidba­re morele levens­praktijken naast elkaar, hoeft geenszins te leiden tot een moreel relativis­me, dat wil zeggen tot de houding die uit­drukt dat het in principe niet uitmaakt wat je doet en hoe je bent, of beter: dat dit louter wordt uitgemaakt door wat je toevallig vindt en voelt. Een deug­dene­thiek kan in een pluralis­me-zonder-vrij­blij­vend-relati­vis­me een belang­rijke rol spelen. Een discus­sie over deugden (bij­voor­beeld moed, tolerantie, trouw, bezonnen­heid, dankbaarheid, ver­trouwen etc.) en de ondeug­den die er het comple­ment van zijn hoeft niet uit monden in de verdediging van één in wetten, normen en regels vastgelegde moraal boven andere, maar zal ook niet leiden tot het adagium anything goes. De betekenis en de waarde van deze deugden worden immers niet louter subjectief bepaald, maar zijn gegrond in een 'objectief' (intersubjectief) weten omtrent wat gepast is, wat adequaat is aan de niet door willekeurige individu­en bepaalde structuur van het morele leven.

Leven volgens de deugd betekent meer dan het doen van goede handelin­gen. Beslis­send voor de morele deugdzaamheid van iemand is niet louter de juist­heid van zijn zichtba­re gedrag, maar ook en vooral zijn gesteldheid, zijn hoedanig­heid waaruit dit gedrag voortvloeit. Moed, trouw, bezonnen­heid zijn pas deugden als ze deel uitmaken van iemands aard, als ze hem karakte­riseren en blijvend motiveren in zijn handelen. ­Niet alleen het resul­taat telt, maar ook de weg waarlangs. Goed is niet meteen goed als er goed op staat. In zijn Ethica Nicoma­chea schrijft Aristoteles, de grootvader van de deugde­ne­thiek: ‘[H]an­de­lingen die mensen opti­maal doen functio­neren, worden niet op recht­vaardige of gematig­de wijze verricht, als ze zelf van een bepaalde gesteldheid zijn, maar pas als ook de handelende persoon vanuit een bepaalde dispo­sitie handelt: allereerst moet hij handelen op basis van kennis, vervolgens moet er aan zijn hande­lingen een welover­wogen keuze ten grondslag liggen, en wel een keuze omwille van de handelingen zelf, en in de derde plaats moet hij handelen vanuit een bestendi­ge en ook onverander­lijke dispo­sitie.' (EN 2, 4,3)

2. In deze bijdrage wil ik vooral ingaan op één zo'n disposi­tie, die in een moderne deugdenethiek een plaats kan hebben: de ironi­sche houding. Dit lijkt contra-intuï­tief. Moeten we ironie niet juist verbinden met de vrijblij­vendheid die een van de mogelijkhe­den is van de mens die louter op het eigen subjectieve gevoel, verlan­gen en gezonde verstand is aangewe­zen? Hoort ironie niet bij uitstek bij de hyper-reflec­terende mo­derne mens die van elke positie de relativi­teit inziet en zich naar believen van elk engage­ment kan en wil distan­tiëren? De ironische dispositie wordt in het algemeen eerder negatief gewaar­dee­rd als een ondeugd waarmee morele bindingen uit de weg gegaan worden dan positief als een deugd die deel uitmaakt van deze bindingen.

Zonder deze algemene opvatting te willen bagatelli­seren, meen ik toch een plei­dooi te kunnen houden voor de ironie in deze laatste zin. Ironie, zo wil ik verdedigen, kan niet alleen als vrijblij­vend­heid van morele betrok­kenheid op het eigen leven (en op dat van ande­ren) geduid worden, maar ook als vrijblij­vendheid in die morele betrok­kenheid; een vrijblijvendheid die de betrok­kenheid niet loochent, maar deze haar juiste maat geeft. Ironie heeft mijns inziens twee (soms moeilijk te onderschei­den) morele gedaan­ten. Ze geeft (als talige uiting) niet alleen uitdrukking aan de dubbel­zinnigheid van de werkelijkheid, ze heeft (als houding) zelf ook een dubbelzinnig karakter.

In zijn boek Kleine Verhande­ling over de grote deugden mis­kent André Comte-Sponville dit dubbelzinnige karakter. Hij voert de ironie louter als ondeugd op. Hij keurt ironie onverbidde­lijk af als poging tot zelfverhef­fing via een negativisti­sche, afbreken­de houding. "Ironie is geen deugd, het is een wapen - dat bijna altijd tegen anderen is gericht. Ironie is de gemene, sarcasti­sche, destructie­ve lach... (...) Wat een treurig­heid, als we alleen ten koste van konden lachen! En wat een ernst, als onze lach altijd uitslui­tend de anderen gold! En dat is nu precies ironie: een lach die zich­zelf ernstig neemt, een lach die spot, maar niet met zichzelf, een lach ten koste van een ander. Richt de ironie zich tegen het ik (wat zelfspot wordt genoemd), dan blijft ze desondanks aan de buitenkant en is ze schade­lijk. Ironie veracht, klaagt aan, veroor­deelt... Ze neemt zichzelf ernstig en vindt alleen de ernst van de ander verdacht (...) Hoe ernstig moet je jezelf wel niet nemen om de spot te drijven met de anderen! Hoe hooghartig zelfs moet je zijn om jezelf te minachten! Ironie is die ernst, die alles als belache­lijk ziet. Ironie is die benepen­heid, die alles als benepen ziet." (p.263/264)

Comte-Sponville ziet -mijns inziens ten onrechte- in ironie niet veel meer dan de ijdel­heid van de negatie. Volgens hem kan een ironicus het leven alleen maar beamen door er objecti­verend afstand van te nemen, er boven te gaan staan, door erom te lachen, door over zichzelf te praten als over een derde - een beaming die armzalig genoemd mag worden.

Voor zover gericht op het eigen leven zou de door hem opge­voerde vorm van ironie begrepen kunnen worden als een poging om de kwetsbaarheid van elk con­creet levens­ontwerp te ontlopen of onder controle te houden. De ironicus erkent daarmee eigenlijk dat hij zijn leven en de betekenis ervan niet in de hand heeft. Anders gezegd: wat de mens zijn identiteit geeft - de doelen en idealen waarmee hij zich verbindt, datgene en diege­nen waar hij trouw aan wil blijven - vormt geen gegaran­deerd bezit. Zijn eigen­machtigheid is begrensd. Daar en dan waar hij het meest (bij) zichzelf kan zijn, blijkt hij op een fundamentele manier afhanke­lijk te zijn. Wat hem dier­baar is, kan hem ontval­len of kan zich zodanig trans­formeren dat hij het niet meer zal herken­nen als het zijne. Trouw willen zijn aan iets of iemand en de mogelijkheid ontluis­terd te worden, horen bij elkaar. Vanuit het besef van deze mogelijkheid zou dan de ironi­sche houding als hautaine vrijblij­vend­heid begre­pen kunnen worden. Om niets te hoeven verliezen, verbindt de ironicus zich nooit werke­lijk met iets of iemand. Hij antici­peert als het ware op het verlies, een beetje zoals degene die uit de angst verlaten te worden zelf de relatie beëin­digt, of ook: deze maar niet aangaat. Hij blijft liever een derde, kijkend naar de drama's van het leven in plaats van eraan deel te nemen en zo mogelijkerwijs teleurge­steld te worden.

3. Er is echter ook een positief te waarderen vorm van iro­nie. Deze heeft mijns inziens een plaats in een leven dat trouw wil zijn aan zijn meest oorspronkelijke motivatie: die van het goede. Waar het nu om gaat is dat deze motivatie in geen enkele eindige gestalte van dit leven ooit is uitgeput. De morele inspira­tie is zogezegd 'oneindig'. Het 'goede' of de 'zin' is een bron die niet opdroogt, hoezeer het leven ook getekend wordt door de verganke­lijk­heid en de veranderlijk­heid van datgene wat als zinvol ervaren wordt. Dit 'goede' of deze 'zin' is niet het bezit van een mens of van een groep, het kan niet door een bepaald levensontwerp ge­claimd worden. Het zorgt in een plurale samenleving voor een gemeenschappe­lijke oriëntatie die niette­min de eigenheid (en de eenzaam­heid?) van de verschillende levensont­werpen niet hoeft aan te tasten. Kierkegaard doelt hier op als hij schrijft: ‘Het ethische is het eeuwige ademhalen en midden in de eenzaam­heid de verzoenen­de saamhorigheid met elk ander mens.'

Vanuit deze gedachtegang kan de ironie als deugd bezien worden. Ze is dan niet meer de nihilistische houding tegen­over datgene wat iemand belang­rijk vindt en waar hij zich mee verbonden heeft. Maar ze drukt het besef uit dat de morele identiteit geplaatst moet zijn in het licht van een blijvende inspira­tie. Een ironische relati­vering van alles waarmee een mens zijn identi­teit vormgeeft behoedt hem voor het gevaar zich helemaal te identi­ficeren met en te fixeren op de eindi­ge gestalte van die identi­teit. Ze verhindert dat de mens verstart in zijn gehecht­heden, dat hij bezeten wordt van wat hem bezet en bezighoudt. De ironie zegt: het leven valt nooit samen met de zin er­van[1]; het is nooit zonder meer dit of dat waar het uiteinde­lijk om kan gaan, er is niets abso­luuts in het leven, alleen het leven zelf als morele oriënta­tie is abso­luut. Of beter gezegd: wanneer het in het leven echt om iets of iemand gaat dan in het licht van een oriënta­tie die niet opgaat in de identifica­tie met iets of iemand.

Zoals moed de deugd is met betrekking tot gevaar en gematigd­heid met betrekking tot genot, zo zou ironie de deugd met betrek­king tot de eindig­heid genoemd kunnen worden. De ironische houding is dan niet tegenge­steld aan de deugd van de trouw aan jezelf (als geïnspireerd-zijn), maar maakt er deel van uit. Ze is de deugd die andere deugden (trouw aan iets of iemand, vertrouwen in iets of iemand) beter in staat stelt hun ernst waar te maken. En in plaats van frivool en lichtzin­nig te zijn, is ze dan zelf ernstig. ‘Ironie - de hoogste ernst', zoals Kierkegaard het ergens zegt. En omgekeerd: de morele ernst waarmee we ons met iets of iemand engageren, - en zo onze vrijheid bevrijden van haar vrijblijvend­heid - is maar waarachtig ernstig als er daarbij ook ironie aanwezig is.

4. Aristoteles heeft de deugd bepaald als een midden tussen twee uitersten, een midden dat echter niet gelijkstaat met morele middel­matigheid, maar juist met het treffen van het moreel beste. ‘Deugd beweegt zich op het gebied van emoties en handelin­gen, waar het teveel gelijkstaat aan falen en het te weinig terecht wordt gewezen; het midden daarentegen wordt toegejuicht en betekent succes.(...) Daarom is deugd krach­tens haar essentie, dat wil zeggen: de definitie die haar wezen formuleert, een midden; maar vanuit het oogpunt van wat het beste is en het goede resul­taat, is deugd een uiterste.' (EN 2, 5,11/17)

In het geval van de ironische houding gaat het om een midden tussen twee extreme houdingen tegen­over de eindig­heid. De eerste zou je die van de absolu­tist kunnen noemen: iemand die een bepaal­de werkelijk­heid[2], persoon of ideaal verabsolu­teert, tot alles promoveert. Zonder deze werkelijk­heid, persoon of ideaal zou voor hem het leven zinloos zijn. Deze moeten dan ook koste wat kost gekoesterd worden. Mijns inziens wordt zo de deugd van de trouw verward met een beklem­mende, bij nader inzien meestal narcis­ti­sche identifi­catie, een verstikkende symbiotische relatie met een idealistische taak of een geïdeali­seerde ander, een binding zonder enige speel­ruimte. De verblin­de dogmati­cus, de fanati­eke fundamen­ta­list, en soms ook de gepassio­neerd verliefde kunnen aan deze kant geschaard worden. De morele ernst van de fundamen­ta­list is dodelijk, en dat niet alleen in figuurlijke zin. Jij bent voor mij alles, jij bent het einde, zo wil een verliefde nog wel eens verzuch­ten. Zolang deze taal metafo­risch blijft, is er niets aan de hand: de liefde zoekt nu eenmaal naar woorden om uit te drukken dat ze een unieke ander op het oog heeft. Maar letterlijk genomen verraden deze woorden de dwaasheid van de passie: de dwaas­heid wordt ver­dwa­zing, het pathos van de liefde wordt patholo­gisch. Als hij dood is, dan ik ook, zegt Julia van Romeo. Leven met iemand (of met de herinne­ring aan iemand), - met vallen en opstaan - dat zou niet genoeg zijn, je moet minimaal sterven met iemand om de onovertrof­fenheid van de (ge)liefde te bewijzen!

De tweede zou je die van de relativist kunnen noemen: iemand die de relativering verabsoluteert, iemand voor wie elke eindige werke­lijk­heid, elke gerichtheid op een doel of ideaal als een willekeurige en in principe inwisselbare positie wordt beschouwd en beleefd. De onverschillige die zich hult in de kleren van de tolerantie, de opportu­nist waarvoor wijsheid gelijkstaat met de goede inschatting van resultaat en succes en de luchtharti­ge versierder die liefde opvat als 'scoren' horen aan deze zijde. Het gaat dan steeds om een speel­ruimte zonder een werkelijke binding.

5. Ironie als deugd staat dus niet op zichzelf. (Maar geldt dat niet voor elke deugd?) Ze begeleidt de morele betrok­ken­heid. Ironie zorgt voor de lucht in de trouw. Wanneer ze op zichzelf komt te staan dan is ze eerder een ondeugd. Ironie zonder veranke­ring in een 'oneindige' morele grond raakt op drift: van alles kan afstand genomen worden, alles kan als ijdel en vergeefs beschouwd worden. Ironie wordt dan de pose van iemand die zich nergens blijvend mee kan en wil engage­ren, van de koele buiten­staander die van gevoe­lig­heden en bekom­mernissen van mensen het lachwek­kende en illusoi­re laat zien, en voor wie alleen opportunisme hem nog soms halt doet houden; een pose die echter vanuit ethisch oogpunt veeleer beschouwd zal worden als niets anders dan het masker van de lafheid zich zelf daadwerke­lijk te verbinden met een taak, een ideaal of een per­soon.

De ironische houding als deugd, die hier in het geding is, bevindt zich tussen gevoelloos­heid en overdreven gevoelig­heid, tussen onver­schilligheid en sentimentalis­me. Zolang de mens geen morele basis heeft, zijn leven niet gegrond is in ethische keuzes en in de deugden (moed, trouw, vertrouwen) waardoor deze keuzes mogelijk worden en zich realiseren in een concreet handelen, zal hij in plaats van zijn gevoelens, emoties en stemmin­gen te beheer­sen en te relativeren (te 'plaatsen'), eraan onderworpen zijn. We kunnen ons afvragen of mensen die leven voor en 'geleefd' worden door hun veran­derlijke gevoe­lens, wel echt gevoelig zijn. Zij die lijden aan emotione­le inconti­nentie houden meestal maar weinig rekening met (de gevoelens van) anderen. Grote 'gevoe­lig­heid' en de grootste botheid gaan vaak heel goed samen. Gerrit Komrij schrijft: ‘Wie alleen vleugels heeft en geen landings­ge­stel, die smakt te pletter wanneer hij de aarde raakt en met de realiteit wordt geconfron­teerd. De emotie die louter uit vleugels bestaat, biedt een deerniswekkende aan­blik, is ook maar half, vals - een verteke­ning van de emotio­naliteit. Ik denk dat de gevoe­ligste mensen toch te vinden zijn onder de meest nuchte­re.' Ironie geeft de mens dan wel geen vleu­gels, ze maakt wel dat hij wat stabieler kan vliegen en landen.

6. Ten slotte, hoe kunnen we de twee ironische disposities onder­schei­den? Wanneer is ze een deugd, wanneer een ondeugd? Bij beide gaat het om een relativering van de werkelijkheid. De eerste echter omwille van 'niets', de tweede omwille van 'het goede' of 'de zin' (die in een bepaalde zin ook 'niets' zijn, dat wil zeggen niet 'iets'). Bij de eerste ontbreekt de ernst van het morele engage­ment, de tweede maakt deel uit van die ernst; de eerste is uit­drukking van onmacht, de tweede van een inner­lijke kracht het altijd al bepaalde leven in het licht van zijn morele opgave te blijven vol­trekken.

Het onderscheid is radicaal, maar in zekere zin ook onzicht­baar. Aan de ironische houding sec is niet zonder meer het motief af te lezen waarvan ze de uitdrukking is. Het is niet alleen zo dat ironie vaak moeilijk als zodanig herkend wordt, het is ook vaak niet onmid­dellijk duidelijk waar de ironische houding die als ironische houding wordt herkend zich door laat inspire­ren: door 'niets', dat wil zeggen een ijdele zelfbe­vestiging of door 'het goede', dat wil zeggen een zelfbea­ming die steunt op 'iets transcen­dents'.

Het zou te gemakkelijk zijn dit dubbelzinnige karakter van de ironie weg te moffelen door voor de eerste of de tweede vorm een ander begrip te gebruiken. Het probleem is niet de verwarring van termen, maar de inheren­te meerzinnig­heid van het leven zelf. Een meerzinnig­heid die bestaat omdat en wanneer het ethische gehalte van het leven niet afgeleid wordt uit voor iedereen zichtbare gevolgen van hande­lingen (consequentialis­me), maar vooral bepaald wordt door de inten­ties en de motieven van de handelende en sprekende mens; intenties en motieven die nooit zonder meer bewezen worden door wat de mens doet of zegt. En die hetzelfde kunnen zijn, terwijl ze een verschillend resultaat, of verschil­lend kunnen zijn, terwijl ze het­zelfde resultaat opleveren. Is dit liefdesgebaar een gebaar uit liefde? Is dit dankje­wel een uiting van dankbaar­heid? Is deze gift een teken van echt geven? Betekent niet-vreemd-gaan dat je trouw bent? Duidt de ironise­ring van je eigen leven op hooghar­tige benepenheid (Comte-Sponville) of juist op een nuchtere ontvanke­lijk­heid? Als deze vragen zin hebben, dan wil dat niet zeggen dat het verschil tussen deugd en ondeugd minder relevant wordt. Maar misschien wel dat dit verschil minder zicht­baar is dan we vaak geneigd zijn te denken, en dat de kern van het morele leven daarom gesitu­eerd moet worden in een waarach­tigheid die niet van buitenaf gecheckt of gerecht­vaardigd kan worden.


Noten

[1]. Hier ligt de link met de ironie als talig figuur: in de ironische uitspraak valt de spreker (of schrijver) niet samen met wat hij zegt (of schrijft), zijn tekst zegt niet alles, maar verwijst naar een betekenis, die als zodanig niet aanwe­zig wordt gesteld. De spreker behoudt dus als het ware zijn vrij­heid ten opzichte van zijn uitspraak. In de hier naar voren gebrachte ironische houding drukt de mens uit dat hij niet samenvalt met zijn leven en de daarin gerealiseerde zin, zijn houding verwijst naar een Zin die als zodanig nooit aanwezig is of kan worden gesteld.

[2]. Deze werkelijkheid kan bijvoorbeeld het eigen land, de eigen bodem zijn. Extreme vormen van nationalisme zijn absolu­tistisch van aard, en monden - zoals de recente geschiedenis ons leert - uit in een spiraal van geweld. De fixatie op iets 'zuivers' leidt niet zelden tot chaos; de strikte afbakening van het zogenaamd eigene tot een brute aantasting van het zogenaamd vreemde.