Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Homo donans

De wederkerigheid van het geven en de economische ruil

December mag met recht de geefmaand genoemd worden. Sinterklaas overstelpt de huishoudens met cadeaus, werkgevers verblijden hun werknemers met kerstpakketten en de post heeft er zijn handen vol aan om al de heen en weer gaande nieuwjaarskaarten te bezorgen.

Deze hoge concentratie van giften aan het eind van het jaar betekent echter niet dat het geven een uitzonderlijke handeling zou zijn, bedoeld om wat gemakkelijker de donkere dagen door te komen. Het behoort veel meer tot de dagelijkse levenspraktijk dan we doorgaans geneigd zijn te denken.

We geven immers niet alleen geschenken aan mensen die tot onze intimi of bekenden behoren. Soms trekken we de portemonnee voor een bedelende zwerver of voor slachtoffers van een ramp, vaak hebben we geld over voor een goed doel, een algemeen maatschappelijk belang dat het directe eigenbelang overstijgt. De spreekwoordelijk zuinige Nederlander was wat dit laatste betreft in 1999 nog goed voor meer dan 3,5 miljard gulden (1,6 miljard euro), een bedrag dat zelfs een goedheilig man niet zomaar uit zijn hoge mijter zal toveren. Daarnaast moeten we niet vergeten dat het domein van het geven veel meer omvat dan geld en materiële zaken: mensen geven tijd (denk aan vrijwilligerswerk), zorg, liefde en vriendschap, kortom 'zaken' die niet in geld zijn uit te drukken, die letterlijk en figuurlijk onbetaalbaar zijn. En zijn het niet juist deze laatste giften die, meer dan alles waarvan de geldwaarde te bepalen is, beslissen over wie we eigenlijk zijn?

In een samenleving die voor een belangrijk deel wordt bepaald door een economische ideologie die individuele nutsmaximalisering als het motief van menselijk handelen ziet, kan de rol en betekenis van het geven in ons leven gemakkelijk ondergesneeuwd raken. In deze ideologie staat immers niet de gift maar de ruil centraal. De homo economicus wordt voorgesteld als een wezen dat zich op een markt van goederen en diensten beweegt om zijn behoeften te bevredigen. Hij gaat daarbij rationeel te werk als de ruil die hij aangaat zijn eigenbelang dient én hij er op korte of lange termijn minstens evenveel aan waarde uithaalt als hij erin stopt. Om deze ruil te stroomlijnen vormt geld het onontbeerlijke medium dat in principe alles met alles vergelijkbaar maakt en de toetsing van de juistheid van de gemaakte marktkeuzes vergemakkelijkt. Voor de homo economicus is de kosten-baten analyse dé manier om zijn gedrag in kaart te brengen en te beoordelen. Zijn leidraad is dat investeringen zich altijd - het liefst dubbel en dwars - moeten terugbetalen. En zijn relaties met anderen begrijpt hij primair in het teken van 'voor-wat-hoort-wat'.

Het belang en de werkzaamheid van dit economische denken in onze maatschappij is onmiskenbaar. Het wordt echter bedenkelijk als het zich wil uitstrekken over alle dimensies van het leven en ons blind maakt voor wezenlijk andere relaties. Naast homo economicus is de mens ook en misschien wel op de eerste plaats een homo donans en homo donabilis: iemand die geeft en die het waard is om aan gegeven te worden. En geven is geen ruilen: beide worden door verschillende motieven en waarden gekenmerkt.

We geven hier al blijk van op het moment dat we bij een verjaarscadeau of de fles wijn die we als gast meenemen, het prijsje eraf halen. We willen niet dat bij ons geschenk de aandacht wordt afgeleid naar het economische circuit waar het uit voortkomt. We willen er sympathie, verbondenheid, waardering mee uitdrukken, waarden die niet 'geprijsd' kunnen worden. Sterker, als we dat toch proberen, zal de geefrelatie juist mislukken. Iemand die na een etentje bij vrienden zijn beurs tevoorschijn haalt en vraagt hoeveel hij verschuldigd is, beledigt de gastheer of gastvrouw. Zijn poging om het economische equivalent van dat wat hij gekregen heeft te achterhalen en terug te geven, devalueert de waarde van de vriendschap waar het etentje een symbool van was. (Had hij maar een fles wijn meegenomen!)

Het feit dat geven in veel gevallen geld kost, betekent niet dat de waarde van het geschenk herleid kan worden tot de ruil- of geldwaarde ervan. Het is daarom dan ook goed mogelijk dat we iets als een grote gift kunnen beschouwen dat economisch gezien geen cent waard is: een gedicht dat iemand voor je geschreven heeft, zijn eerste (allang kapotte) horloge dat je vader je nalaat, het luisterende oor van een collega ook als het niet over 'zaken' gaat, een met veel zorg gemaakte Sinterklaassurprise. Omgekeerd hoeft iets duurders helemaal niet te garanderen dat de gift als waardevoller wordt ervaren: een klein cadeau waarover nagedacht is en dat iets wil uitdrukken van de speciale band tussen gever en ontvanger heeft meer betekenis dan een in de haast gekochte (of een ooit zelf gekregen!) cd-bon van 25 euro. Het verhogen van de geldwaarde van geschenken geeft geen garantie voor het lukken van de geefrelatie. Het is een bekend verschijnsel dat sommige ouders hun gebrek aan aandacht en tijd voor hun kinderen proberen te compenseren door ze met steeds meer en poeniger speelgoed 'zoet te houden'.

Een marktproduct dat gegeven wordt, gaat van een economische sfeer over in een niet-economische, en verandert daardoor van betekenis. De ruilwaarde maakt plaats voor een symbolische waarde; niet het pure (wederzijdse) eigenbelang staat centraal maar juist dat wat twee mensen verbindt: de vriendschap die ze delen, het bedrijf of de instelling waar ze beiden werken, de onafscheidelijke familieband. Het geschenk is uitdrukking van die verbintenis, het bekrachtigt de band. Het is niet - of in ieder geval niet alleen - een nuttig ding waarmee de ontvanger zijn eigen doelen kan dienen. Het is een teken van een gemeenschappelijkheid, van een doel of waarde die de individuele nutsmaximalisatie overstijgt. Als exemplarisch voorbeeld hiervoor kan de huwelijksring gelden: die dient eigenlijk nergens anders voor dan te tonen dat je met de ander duurzaam in liefde verbonden bent.

Het is duidelijk dat veel van wat in de sfeer van het geven en ontvangen thuishoort ook economisch geëxploiteerd kan worden. Dat seks een goedlopend 'product' is, behoeft geen betoog. Sex sells. Bloot verkoopt. Vraag en aanbod zijn groot, en de markt verzadigt nooit. Maar toch zullen er maar weinig mensen zijn, de prostituees en hun klanten inclusief, die de betaalde 'liefde' zullen verwarren met echte liefde. En evenmin is het te verwachten dat het model dat voor Playboy uit de kleren gaat ook een flink geldbedrag zal bedingen als ze zich in het intieme samenzijn met haar geliefde blootgeeft. Sterker, dat zou pervers zijn en hun liefde juist waardeloos maken. In een liefdesrelatie wordt lichamelijke schoonheid eventueel geprezen maar zeker niet geprijsd. Je kunt honderden mannen voor je lichaam laten betalen, maar niet diegene die je zegt lief te hebben.

Liefde is geen ruil, geen uitwisseling van een serie intieme handelingen waarvan de prijs onderhandelbaar is. Van de liefde bestaat geen boekhouding die kloppend gemaakt kan worden, ze is geen waarde die door een kosten-baten analyse te bepalen is. Dat geldt niet alleen voor de erotische maar in versterkte mate ook voor de ouderlijke liefde. Welke vader of moeder zal de zorg voor en opvoeding van zijn of haar kinderen opvatten als een langetermijninvestering die hij of zij later bij hen in rekening zal kunnen brengen; welke ouder zal in ernst de offers die hij zich voor zijn kind getroost op één lijn stellen met een financiële aderlating die nodig is om een economisch goed te verkrijgen? Wie tobt over de vraag 'nemen we een kind of een auto?', kan het eerste maar beter laten. Ouderlijke zorg en verantwoordelijkheid zijn onbetaalbaar, hoeveel geld er ook mee gemoeid is. In plaats van deze geefrelatie 'op te waarderen' door haar toch economisch te begrijpen (moeder-zijn als betaalde baan!), zouden we haar belang en betekenis als zodanig veel meer moeten erkennen en waarderen. We missen de pointe van de ouderliefde, de zin van deze 'onbetaalde arbeid', als we die alleen maar kunnen zien als het zielige zusje van de betaalde arbeid - die arbeid die er volgens de economische ideologie echt toe doet.

De geefrelatie kan en mag niet tot een economische ruilrelatie gereduceerd worden. Maar dat sluit wederkerigheid niet uit. Integendeel. Wie geeft, krijgt in de regel ook iets terug. Veel giften staan in het teken van de verwachting van een tegengift. Vriendschappen en liefdes hebben alleen maar toekomst als 'het van twee kanten komt'. Seksueel plezier hangt voor een belangrijk deel af van de wederzijdsheid van het geven en ontvangen van genot. Voor niet-meer-gelovende volwassenen bestaat de charme van het sinterklaasfeest in de uitwisseling van cadeaus. En de gelovige kinderen stoppen wortels in hun schoen, maken driftig tekeningen en zingen liedjes om toch iets terug te doen voor al het moois dat ze krijgen. Bovendien is de generositeit van Sinterklaas altijd sterk gekoppeld geweest aan de tegenprestatie van braafheid en gehoorzaamheid (wie zoet is, krijgt lekkers, wie stout is de roe). En al is het kind van tegenwoordig veelal bevrijd van deze tegenprestatie - kind zijn op zich is al genoeg om door Sint bedeeld te worden -, menig ouder zal proberen zijn kind het gekregene in dank laten te aanvaarden (dank u Sinterklaasje). En dankbaarheid is ook een vorm van teruggeven.

Mensen zijn doorgaans geen heiligen. Onvoorwaardelijk geven, dat wil zeggen zonder iets terug te verlangen, is een zeldzaamheid. Mensen die in het geven betrokken zijn op een ander zijn doorgaans tegelijkertijd ook betrokken op zichzelf. In geefrelaties vormen altruïsme en egoïsme meestal een schijntegenstelling. Uit onderzoek van de sociologen Komter en Schuyt is gebleken dat juist diegenen die het meeste (kunnen) geven (hoogopgeleiden, vrouwen) ook het meest ontvangen. Wie goed doet, goed ontmoet, luidt hun conclusie. Gulheid loont. Wie het materieel minder getroffen hebben (werklozen en ouderen), en dus minder te geven hebben, krijgen ook minder. Dat de gift-'economie' een compensatie zou kunnen bieden voor ongelijkheden in inkomen, kansen en sociale mogelijkheden zoals die door de ruil-economie worden gegenereerd, is dan ook een illusie. De zorg aan zwakkeren kan niet louter aan de welwillendheid van de burgers overgelaten worden, maar moet een economisch-politieke verankering blijven behouden: het principe waarop de verzorgingsstaat is gebaseerd.

Ook al vormt het geven een tegenpool van het op eigenbelang gebaseerde ruilen, het is daarom nog niet per se iets nobels of moreel verhevens. Vrijgevigheid is nog geen onbaatzuchtigheid. Geven is vaak veel gemakkelijker als er iets tegenover staat. En omgekeerd is ontvangen voor veel mensen eenvoudiger als ze er iets tegenover kunnen stellen. Daarom is de daklozenkrant ook zo'n succes: de bedelaar die alleen een vragende blik en een lege hand te bieden had, kan de geldgift nu beantwoorden. De gever krijgt iets terug en hoeft zich minder dan anders af te vragen of hij niet vooral iets geeft om zijn schuldgevoel af te kopen.

Hoe weinig 'ethisch zuiver' de motieven zijn om te geven, wordt misschien wel het mooist duidelijk aan de wijze waarop tegenwoordig het geld voor goede doelen wordt ingezameld. Gebruikmakend van de goklust van mensen om zelf een miljoen te winnen, haalt men via de Postcodeloterij vele miljoenen op voor organisaties die zich inzetten voor het algemeen belang. Unicef, Milieudefensie en Amnesty International varen wel bij de 'vrijgevigheid' van mensen die zonder die grote geldprijzen zich nooit zo had geopenbaard.

Voor wie het antwoord op de vraag 'wat levert het op?' alleen bepalend is voor de beoordeling van het geven, zal de Postcodeloterij beschouwen als een gouden vondst en geen enkel onderscheid maken tussen de mensen die eraan meedoen. Wie, zoals ik, meent dat de morele waarde van de gift - dat wil zeggen de niet louter financiële waarde - ook afhangt van de intentie van de gever, zal zich afvragen of er toch niet een belangrijk verschil is tussen een gever die het om het goede doel gaat (en daarbij als extraatje een lot krijgt) en een gever die uit is op eigen gewin (en daarbij en passant aan een goed doel geeft).