Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Het wreedzame koninkrijk


Kerstmis. De os en de ezel staan samen met de ouders gebogen over de kribbe en verspreiden hun weldadige warmte in een verder koude nacht. Ook de schapen van de herders nemen deel aan het vreedzame tafereel rond de pasgeborene. Het is een krachtig beeld: mens en dier in onschuld en harmonie bij elkaar. Het nieuwe leven lijkt alle levende wezens met elkaar te verbinden.

Dit tableau vivant herinnert ons aan de bekende profetie van Jesaja: ‘Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer; kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden. Een koe en een beer grazen samen, hun jongen liggen bijeen; een leeuw en een rund eten beide stro. Bij het hol van een adder speelt een zuigeling, een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang. Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn heilige berg.' Hier spreekt een oeroud verlangen: natuurlijke tegenstellingen zijn opgeheven, tussen dieren onderling en tussen de kwetsbare mens (het kind) en het gevaarlijke dier. Zachtaardigheid en zorgzaamheid bepalen de sfeer. Zelfs de slang, die sinds Genesis 3 het toch voorgoed verpest leek te hebben, mag meedoen; van zijn sluwheid is in geen velden of wegen iets te bekennen.

In de prachtige catalogus bij de tentoonstelling Beestachtig Mooi in het Van Gogh Museum wordt de tekst van Jesaja aangehaald bij een schilderij van Edward Hicks. Dat de dieren die hij heeft afgebeeld niet natuurgetrouw zijn is duidelijk maar dat doet er voor de schilder niet toe. Het gaat hem om wat ze symboliseren: het vreedzame koninkrijk. Ze dienen als voorbeeld voor de mensen (links op het schilderij): doe geen kwaad, sticht vrede, lijken ze in hun stilzwijgende gezamenlijkheid te willen zeggen. Dat juist dit schilderij door bezoekende kinderen werd gekozen als het mooiste is waarschijnlijk geen toeval. Misschien niet zozeer vanwege het symbolische karakter ervan - dat is toch meer een volwassen preoccupatie - maar wel door de vanzelfsprekende onschuld ervan. In de magie van de kinderwereld fungeren dieren op eenzelfde manier als op dit schilderij: beer zit naast pop (en ze mogen straks allebei mee naar bed), eekhoorn krijgt mier op bezoek, vos verzorgt haas die de griep heeft, een os en een ezel praten over wat ze daar zagen in die kleine kribbe...en allemaal zijn ze in hoge mate knuffelbaar. De strijd om het bestaan (Darwin), eten en gegeten worden, de biologische principes van het dierenrijk, ze zijn even afwezig op het schilderij als in de dierenbeleving van kinderen.

Kerstmis. Vader en de kinderen buigen zich over de schaal die moeder zo juist met enige trots heeft neergezet. Bij een feest hoort lekker eten. Karbonaadjes, drumsticks, kleine gehaktballetjes, lamsbout, gebakken spekjes: alles geurt heerlijk. Niets van een os of een ezel maar verder keus genoeg. ‘Dit jaar maar eens wat anders dan kalkoen', verklaart moeder haar kookkunsten.

Dit gezin is niet het enige: er is een grote markt voor vlees. De koe, het kalf, de kip en het varken: miljoenen van deze levende wezens zijn gedoemd om in voedsel te eindigen, en wel zo economisch mogelijk. Eten om door de mens gegeten te worden: welkom in de wereld van de volwassenen, het wreedzame koninkrijk.

Want wreed is het, wat er in dat rijk, ver weg en onzichtbaar voor kerstvierende mensen, gebeurt. We weten het, we kunnen het weten. Maar misschien vergeten we het ook weer liever, in ieder geval herinnert niets van dat op ons bord liggende prachtige malse stukje karbonade ons aan het leven, al dan niet ellendig, van het varken dat ervoor is doodgemaakt. Het lijkt wel of we ons telkens opnieuw weer teweer moeten stellen tegen dat moedwillige vergeten. Als we dat tenminste willen, als het ons tenminste niet om het even is hoe de mens omgaat met het dier - medeschepselen in een christelijke terminologie, levende wezens in een biologische terminologie, geen machine (zoals Descartes meende), geen ding, maar een lichaam, vervuld van leven, met ledematen die de ruimte insteken, om met Coetzee te spreken.

Er zijn de getallen en de feiten. In Nederland worden meer dan een half miljard vleeskuikens geslacht, het grootste deel is voor de binnenlandse markt. We vervoeren zes miljoen biggen in vrachtwagens naar het buitenland. Hoe dat moet gebeuren is vastgelegd in minutieuze regelgeving; de beladingsdichtheid is bijvoorbeeld 235 kilo per vierkante meter. Welke voorstelling je hierbij ook maakt, knorrend van tevredenheid een ledemaat de ruimte insteken is er niet bij. Het dierenwelzijn mag dan, zoals dat heet, op de politieke agenda staan, maar nooit zo hoog dat we het economisch belang uit het oog zouden verliezen. Dat onze welvaart boven hun welzijn gaat, is in de bio-industrie in ieder geval een onwrikbaar gegeven - de wetgeving ten spijt.

De twee eieren in de kersttulband komen van twee van de ongeveer 30 miljoen kippen die ons land rijk is. De kans dat deze kippen onder de ophokplicht vielen was gering: meer dan 95 procent van alle kippen komt sowieso nooit buiten, de meeste zitten in legbatterijen, de rest zit met duizenden scharrelgenoten opeengepakt in grote stoffige en zwaar naar ammoniak ruikende schuren. Maar een ei hoort erbij, dus ja, dan die kippen ook, lijkt de overheersende gedachte van de supermarktwinkelende burger-consument. Als hij er al een gedachte aan wijdt... En ook bij de meeste politici ontbreekt het aan de wil om iets aan het leven van de kip te verbeteren. Ze moeten tenslotte denken aan hun achterban op het platteland.

Ondertussen ziet men wel dat er iets veranderd moet worden. Geen wezen zo redelijk als de mens. Die legbatterijen, dat is echt kiponterend! Daarover is iedereen het eigenlijk eens. De Europese Unie heeft daarom in 2002 het besluit genomen: in 2012 - u leest het goed - zal deze vorm van dierenmishandeling verboden zijn. Kortom, een situatie is nooit zo onhoudbaar of ze kan nog wel 10 jaar voortduren. Kippenleed is erg maar niet zo erg om bedrijven die ervoor verantwoordelijk zijn een redelijke termijn te misgunnen om hun investeringen af te schrijven.

Er zijn de beelden. Soms maken die meer indruk. Woorden en getallen blijven immers vaak abstract: een echte confrontatie met het dier blijft uit. Wat we zien is het ei, niet de kip die het gelegd heeft en in welke omstandigheden. Wat we zien is het karbonaadje op ons bord, niet het varken dat ervoor de vrachtwagen is ingeslagen. Van de tentoonstelling Dierbaar plaatste de NRC onlangs een foto op de voorpagina: te zien een twee dagen oud biggetje waarvan het staartje wordt afgebrand, op de tafel liggen nog een aantal andere staartjes van biggetjes die al geweest zijn; onvermijdelijk wordt je blik naar de snuit van het beest getrokken, en wat je ziet is totale weerloosheid, gillend van de pijn. Het commentaar in de krant bij de foto doet je nog meer huiveren: ‘De prijzen voor varkens en varkensvlees zijn zo laag dat verdoven te kostbaar wordt gevonden.' Leve de marktwerking!

Ogenschijnlijk is er geen grotere tegenstelling dan tussen het schilderij en de foto als het gaat om de relatie tussen mens en dier. De harmonische idylle versus de industriële wreedheid. Terwijl het schilderij kinderlijke vertedering oproept, wekt de foto afschuw en cynisme.

Maar ook in dit geval bedriegt de schijn. Hoe groot het verschil ook tussen beide prenten, ze komen in belangrijk opzicht ook met elkaar overeen. Zowel de scène in het gefingeerde landschap van de schilder als die in het varkensvermeerderingsbedrijf, getuigen van onvermogen en onwil om recht te doen aan het dier als dier, om de eigen aard van het dier te respecteren. In de bio-industrie is dat evident: het dier is vrijwel volledig gereduceerd tot zijn instrumentele en economische waarde. Zelfs de minimale moraal van het niet nodeloos pijn doen, moet, als het zo uitkomt, voor deze waarde wijken. Sterker, uit de aard van haar zaak mag de bio-industrie niet geïnteresseerd zijn in wat het leven van een dier eigen en specifiek maakt.

Op een andere manier is deze desinteresse vreemd genoeg ook kenmerkend voor de vredige omgang tussen mens en dier die het schilderij verbeeldt. Voor Hicks is alleen de symbolische betekenis van de afgebeelde dieren van belang. Hun natuurlijke bestemming heeft niet zijn belangstelling, ze zijn er louter en alleen voor zijn eigen pedagogische doeleinden. Wat de leeuw zelf is en wil - deze ‘koning' der dieren - is in het vreedzame koninkrijk geen issue.

Of het nu gaat om economische exploitatie of om symbolische betekening en vertekening, het dier komt er bekaaid van af. In beide gevallen staat de omgang ermee exclusief in het teken van de mens, van zijn behoeftes en verlangens. Valt dit antropocentrisme te vermijden? Is er een relatie mogelijk waarin het dier (letterlijk) zichzelf kan belichamen en (letterlijk) meer de ruimte krijgt om zijn leven te leiden (in plaats van te lijden)? Wat is er nodig om die relatie in onze maatschappij meer gestalte te geven?

Voor (een begin van) een antwoord op deze vraag keer ik nog één keer terug naar de foto. Toen mijn dochter van drie hem per ongeluk onder ogen kreeg, vroeg ze onmiddellijk bezorgd: wat is er met dat varkentje? Onwetend over wetgeving, dierenrechten en varkensbesluiten, wist ze in ieder geval al dit: hier is iets niet in de haak, dit diertje is ongelukkig. Mijns inziens begint het hier: bij het inleven in en medeleven met een dier, bij een ervaring die vooraf- en voorbijgaat aan alle rationeel-juridische overwegingen en afwegingen waarmee we onze ingewikkelde verhouding tegenover dieren bepalen. Nodig is vooral een morele betrokkenheid waarin het dier als een ‘individu', een op zich staand wezen kan verschijnen. Nodig is allereerst een besef dat biggen, koeien en kuikens schepselen zijn met eenzelfde ‘existentiële onverwisselbaarheid' (Joseph Brodsky) als de hond die we als huisdier koesteren, ja als onszelf.

Het moge duidelijk zijn dat er in de intensieve veehouderij voor dit geen besef geen plaats is. Een kuiken is een kuiken is een kuiken is een kuiken - een miljoenenvoudige productie-eenheid, meer niet. En toch: ‘Ik probeer wijs te worden uit het gewemel. Maar pas als ik zelf mijn hand uitsteek en zo'n donsballetje (met oogjes!) vastpak, verandert er een dier in een individu, een afzonderlijk schepsel met zijn eigen verwachtingen, zijn eigen bestemming', zo noteert Koos van Zomeren na een bezoek bij een broederij die 28 miljoen henkuikens per jaar produceert.

Varkens gaan genummerd en naamloos door het leven, ze knorren maar geen heet er Knorretje. Er is geen andere band met ze dan een ‘zakelijke'; echte betrokkenheid is ongewenst want dan zou het leven van het dier ons interesseren en niet alleen wat dit leven ons geeft als het gedood is. En toch: met de hulp van een fotograaf heeft één varkentje zich ontworsteld aan zijn onzichtbare, anonieme bestaan dat geacht wordt te eindigen in een abstract stuk vlees, - en zie, het laat zich niet onbetuigd: plots verschijnt het, schreeuwend en al, naast de os en de ezel, reikhalzend naar een nieuw, een ander leven.

Verschenen in Volzin 24/25, 2005.