Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Het spel en de knikkers - over nut en zin

We zijn licht geneigd om bij alles wat we zien, doen en meemaken ons vragen te stellen als ‘waartoe dient het?', ‘wat levert het op?' en ‘waar is het goed voor?' We rekenen iets af op zijn bijdrage aan een vastgesteld doel. De waarde van dingen, handelingen en gebeurtenissen zou afhankelijk zijn van een bevredigend antwoord op deze vragen.

De menselijke werkelijkheid heeft de structuur van ‘om te'. We stappen in de auto om ons snel naar plaats P te kunnen begeven. We gaan naar de bakker om brood te kopen. We eten brood om onze trek te stillen. We hanteren de hamer om een tafel te maken. We gaan naar de film om ons te amuseren. Hierbij fungeren auto, bakker, brood, hamer en film als middelen; hun waarde is een instrumentele waarde. Ze bewijzen hun nut.

Dat de mens een doelgericht wezen is, betekent echter geenszins dat de zin van zijn werkelijkheid zou samenvallen met de bruikbaarheid of functionaliteit ervan. Nut is een categorie die maar beperkt geldig is. Mensen verlangen niet alleen naar dingen en personen vanwege hun gebruikswaarde. Zij doen niet alleen maar iets omdat het nuttig is.

Dat zo'n instrumentele opvatting van het verlangen toch zo plausibel klinkt, heeft deels te maken met de ideologie van de economisch-gestuurde behoeften die onze westers kapitalistische samenleving met zoveel succes weet uit te dragen. De consumptie-economie steunt op en voedt het beeld van de mens als een wezen dat met steeds nieuwe dingen, diensten en belevenissen aan zijn zich telkens vernieuwende behoeften tegemoet moet komen. De gedachte kan dan opkomen dat alle verlangens volgens het model van de behoeften begrepen kunnen worden. De mens blijkt niet alleen fysiologische behoeften te hebben, maar ook seksuele, emotionele en sociale behoeften; niet alleen een behoefte aan dingen, maar ook aan rust en geborgenheid, aan uitdaging en opwinding. Wie het erotisch verlangen echter gelijkstelt aan een seksuele behoefte, mist het wezenlijke van de betekenis van de geliefde. En wie meent dat kinderen tegenwoordig primair uit een emotionele behoefte genomen worden, reduceert het ouderschap tot een nutsrelatie. (O wee het kind dat zich niet wil schikken naar die behoefte!)

Ook een bepaalde opvatting van geluk is debet aan de neiging om de menselijke werkelijkheid tot haar nut of gebruikswaarde terug te brengen. Geluk wordt vaak beschouwd als het overkoepelende einddoel van al ons strevingen. Geluk roept met andere woorden niet meer de vraag op ‘en waartoe dient dat geluk dan?'. Maar dan lijkt het ook logisch dat iets uiteindelijk alleen maar waardevol is in zoverre het een bijdrage levert aan ons geluk, als het ons gevoel op een aangename wijze affecteert.

Niettemin is dit een verkeerde voorstelling van zaken: menselijke verlangens en handelingen laten zich niet zomaar inpassen in deze abstracte doel-middelstructuur van de behoeftebevrediging en het geluk. Als je aan mensen vraagt wat ze het liefste willen (doen) dan zullen ze naar concrete zaken, personen en handelingen verwijzen, en dan niet omdat die instrumenteel van waarde zijn maar omdat ze (voor hen) een waarde op zich hebben. Dat wil zeggen: het gaat hen om die zaken, personen en handelingen als zodanig, om de intrinsieke betekenis of zin ervan.

Neem iemand die van wandelen houdt. Voor hem gaat het in het wandelen om het wandelen zelf. Hij wandelt om te wandelen, om het plezier van het wandelen zelf. Het doel van wat hij doet, ligt in het doen zelf. Dat sluit overigens niet uit dat hij met deze activiteit ook externe doelen kan beogen of bereiken. Wandelen is gezond, wandelen kan een manier zijn om ergens te komen. (Neem je de bus? Nee, ik ga liever lopen.) Maar iemand die alleen maar wandelt om te bewegen (op advies van de dokter), om zich te verplaatsen, of om een geluksgevoel te bewerkstelligen, wandelt niet in eigenlijke zin. In die gevallen had hij immers net zo goed (of beter!) wat anders kunnen doen. Een instrumentele wandelaar is eigenlijk een contradictio in terminis.

Ook in het verlangen naar anderen blijken mensen zich in hoge mate te onttrekken aan het instrumentele denken, de ideologie van het nut ten spijt. Het is niet vol te houden dat mensen elkaar alleen maar gebruiken om eigen doeleinden (met als ultiem doel: het eigen geluk) te realiseren. Primair willen we erkend worden door anderen; in liefde en vriendschap maar ook in de context van een beroep of prestatie. Maar de waarde van zo'n erkenning hangt juist af van het feit dat de ander een onafhankelijke positie inneemt, en dus niet gedwongen wordt of zich laat gebruiken om die erkenning te geven. In het verlangen naar erkenning zijn we sterk gericht op iemand - maar die persoon is geen middel om die erkenning te krijgen. Erkenning maakt gelukkig. Maar het zou ons juist ongelukkig stemmen als we beseffen dat iemand ‘zich' voor ons ‘instrumentaliseert' en ons alleen maar erkent (als geliefde, als vriend, als collega) om ons gelukkig te maken. Evenzo zouden we ons bekocht voelen als het compliment dat iemand ons voor iets geeft voortkomt uit het verlangen om iets van ons gedaan te krijgen. Het geluk van de erkenning is met andere woorden geen onafhankelijk doel; het kan niet losgemaakt worden van de intrinsieke waarde van die erkenning. Of anders gezegd: in het spel van de erkenning verlangen we weliswaar ook naar knikkers, maar zo dat het niet ten koste van het spel gaat.

Overigens speelt die erkenning ook nog steeds een rol in verhoudingen waarin het gebruikskarakter wel vooropstaat. Ook in een economische transactie gaan mensen doorgaans niet zonder meer instrumenteel met elkaar om. De bakker is niet louter een medium om aan je dagelijkse behoefte aan brood te voldoen, maar ook een persoon waarmee je een praatje maakt, of die je groet. Precies daarin, in die kleine conversatie, openbaart zich een interesse in de ander die zijn nut voor jou overstijgt. Of moeten we die groet soms instrumenteel opvatten? Is die bedoeld om de bakker tot een prijsverlaging uit te nodigen?

Het onderscheid tussen nut en zin, tussen instrumentele en intrinsieke waarde laat zich vertalen naar twee verschillende menstypen: homo faber en homo ludens. Het handelen van de eerste is synoniem met maken, gebruiken, manipuleren; zijn wereld bestaat uit materiaal dat bewerkt wordt ten behoeve van externe doelen. In een marktsamenleving als de onze zijn dat voor een belangrijk deel consumptiegoederen: gebruik staat ten dienste van verbruik. Het handelen van de tweede is synoniem met spelen, vieren, zorgdragen, koesteren; zijn wereld is veeleer een theater waarin hij een rol vervult. Zijn doel is inherent aan zijn activiteit: spelen om te spelen, zijn rol op gepaste wijze vormgeven. Zijn bekommernis is niet primair: wat levert alles me op, maar hoe voltrek ik wat ik doe op de juiste manier. Homo ludens consumeert het leven niet, hij eert het.

Spelen is een geschiktere metafoor om de activiteit die het leven zelf is te verstaan dan maken of gebruiken. Want ook de doelgerichtheid van het leven als geheel is niet extern maar intern. Wat in het leven primair op het spel staat is of het spel goed gespeeld wordt, of het leven goed geleefd wordt, en niet een of ander bereikbaar eindresultaat. Anders gezegd: het bewandelen van de levensweg is geen middel tot een doel, maar doel in zichzelf.

Dit gezegd hebbend dringt zich niettemin de volgende vraag op. Hoort het verlangen naar een goed resultaat niet ook bij het spel? Gaat het in het spel niet ook om de knikkers? Is de speler niet ook, en terecht, uit op applaus? Zeker wanneer spel de vorm van sport of competitie aanneemt, heeft het iets geforceerds om de activiteit van het spelen te scheiden van het beoogde resultaat ervan: de winst, de eerste plaats, het eerbetoon. Spelen om goed te spelen, dat klinkt mooi - maar daar komt een trainer niet mee weg als de punten uitblijven. Zijn team moet winnen. En als dat niet echt meer hoeft, bijvoorbeeld omdat het kampioenschap al veilig is gesteld, dan zeggen we juist dat er niets meer op het spel staat. Kortom, de zin of waarde van het spel lijkt in dit geval wel degelijk niet alleen te liggen in de activiteit zelf maar ook - en vooral - in de uitkomst (de uitslag). Nederland mag nog zo goed spelen op het komende EK, maar als het verliest is dat niet meer dan een schrale troost. Het gaat erom de finale te halen, hoe dat gebeurt is een tweede.

Zo lijken we toch weer terug bij het begin. De vraag: ‘wat levert het (spel) op?' dient zich ook aan in het kader van een activiteit die zich juist bij uitstek laat begrijpen vanuit zijn interne doelgerichtheid, zijn intrinsieke waarde. Trainer en spelers blijken uiteindelijk minder afgerekend te worden op het spel zelf dan op het resultaat.

Het is echter fout om hieruit de conclusie te trekken dat als het er echt op aan komt de waarde van iets, het spel, toch instrumenteel opgevat moet worden. Integendeel. Net als het geluk van de erkenning is de winst in het spel geen onafhankelijk doel. We willen geluk, we willen winnen, maar niet koste wat kost. We kunnen de betekenis van dat geluk en die winst alleen maar echt recht doen als we het spel (van de erkenning) eerlijk en goed spelen. Meestal stemt het ons gelukkig als we erkenning krijgen. Maar daarmee is erkenning nog geen middel om gelukkig te worden. Als we spelen, hebben weeen kans om te winnen. En meer kans als we goed spelen. Maar daarmee is het spel nog geen middel om te winnen. De uitkomst is niet maakbaar, de bal kan raar rollen zogezegd: homo ludens begrijpt dat beter dan homo faber. Wat overblijft is proberen goed te spelen, en te hopen op wat geluk. En te laten zien dat je ook bij onverhoopt verlies een groot speler bent; een speler die zijn tegenstander de erkenning kan geven die hem toekomt.