Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

De waarde van eer

In het morele en politieke zelfbegrip van de hedendaag­se mens speelt het begrip eer geen grote rol. Nog overlevend in bepaalde staande uitdruk­kingen - daar valt geen eer aan te behalen, ik vind het een hele eer dat... -, is het geen centraal begrip meer in het denken over cultuur, moraal en poli­tiek.

Op een veld van eer sneuvelen in de moderne oorlogvoe­ring nog maar weinig soldaten, op mijnenvelden des te meer. Eer in de politiek ver­schijnt alleen dan als politici de eer aan zichzelf willen houden: ze stappen op voordat het parlement ze naar huis stuurt. (De eer aan zichzelf houden - terwijl het doorgaans juist oneervol politiek handelen is dat het voor hen onmoge­lijk maakt om aan te blijven!) Jonge meisjes die seksueel bejegend worden, zullen dat fijn, spannend, vervelend of afschuwelijk vinden, maar het is onwaar­schijn­lijk dat ze deze ervaring met hun seksuele eer in verband zullen brengen. Deze term klinkt al bijna net zo ouderwets als het woord kuisheid dat er van oudsher mee verbonden was.

Misschien heeft eer vooral in de sport nog betekenis. Een eervolle nederlaag, een eerloze overwinning: we weten dan meteen wat er wordt bedoeld. Iemand heeft verloren, maar wel eerlijk en goed gespeeld. Iemand heeft gewon­nen, maar door onspor­tief spel. Eer maakt verschil. De eer van de natie lijkt door de sport opeens weer inhoud te krijgen. Een voetbalelf­tal moet deze eer hooghou­den. En de supporters, in het dagelijkse leven allemaal zeer verschillende individuen, delen in die eer en worden één in hun vreugde en verdriet: wij hebben gewonnen of opnieuw gefaald in het nemen van straf­schoppen. Maar als we van een sportief treffen zeggen dat het alleen nog om de eer gaat, dan bedoelen we dat het niet echt meer ergens om gaat. Zij die in de sport altijd alleen maar om de eer mogen strijden, lopen het grote geld mis en zullen nooit beroemd worden.

Afgezien van bepaalde specifieke contexten en situaties lijkt er voor de eer in onze maatschappij weinig eer meer te behalen. En dat heeft alles te maken met de verschuiving van het morele zwaartepunt die zich sinds de moderne tijd heeft voltrokken. De hedendaagse mens is een kind van de Verlich­ting. Hij heeft zich geëman­cipeerd van overgeleverde morele en religieuze instituties en tradities. In plaats van te steunen op de autori­teit van gemeenschappe­lijke waardepatronen wordt hij geacht in redelijke vrijheid zijn leven zelf te bepalen. De mens ontleent zijn morele waardig­heid niet meer primair aan zijn vaste plaats in een groter geheel, maar aan zijn individue­le autonomie zelf een levensweg te kiezen. In principe over­stijgt hij elke identificatie met een welbe­paalde groep. Sociale rollen en posities bepalen niet langer zonder meer de waarde van zijn leven, deze krijgen veeleer een voor­waarde­lijk, functio­neel karakter. De mens kan er afstand van nemen zonder zijn morele zelf te verliezen.

Als gemeenschappen en de daarbij behorende instituties hun morele kracht verliezen ten gunste van het autonome streven van het individu, neemt het belang van eer af ten gunste van respect. In een cultuur van eer wordt de mens primair aan de hand van zijn plaats en rol binnen een groep gewaar­deerd. In een cultuur van respect gaat het om de waarde van de mens als zodanig. Centraal in onze samenleving staat niet meer de relatie van eer (als de sociale component van een gezamenlijke waarde­noriëntatie), maar een relatie van wederzijds respect (als erkenning van het autonome individu). De sterke hechting aan een gedeelde erecode heeft plaats gemaakt voor de aanspraak op universeel erkende individuele rechten die dat respect moeten waarbor­gen. Onze rechts­staat is op dat respect geba­seerd. Eer die boven het respect wordt ge­plaatst: dat is voor de moderne burger onaccepta­bel.

We kunnen het ons dan ook nauwelijks voorstellen als eer in het geweer wordt gebracht tegen de meest elementaire rechtsbeginselen. Dat was het geval bij het schietinci­dent op een school in Veghel begin december 1999. Ging het hier opnieuw om een uiting van het zogenoemde zinloos geweld? Nee, dat juist niet. De dader, een Turkse jongen, had het gemunt op de vriend van zijn zus. Deze relatie was zeer tegen de zin van zijn vader, want de zus was voorbestemd om te trouwen met een jongen in Turkije. De eer van de familie was aangetast. Met geweld kon de eer worden hersteld. De zoon moest het opknappen. Aldus geschied­de.

Volgens de vader was er juist sprake van zinvol ge­weld. Dat er doden hadden kunnen vallen, dat zijn zoon voor moord of doodslag berecht zou worden, was kennelijk van minder belang dan het gewenste eerherstel. In Nederland werd dan ook terecht geschokt gerea­geerd. Een diepe kloof tussen twee culturen bleek zich opeens te openen. Dat zelfs de fundamentele waarden van onze samenle­ving, de lichame­lijke integriteit en het respect voor de vrijheid (van slachoffer én dader), voor de eer moeten wijken, past volstrekt niet in ons bewustzijn.

Wij, denkend vanuit het standpunt van het individu en niet vanuit het standpunt van een gemeenschap (een familie bijvoorbeeld), zijn verbijsterd als de aanspraak van deze gemeenschap op een persoon zo groot kan blijken te zijn dat hij er zijn vrijheid én het leven van een ander voor wil opoffe­ren. Wij leven niet in een cultuur van eer, maar van respect.

Maar hiermee is niet alles gezegd. Dat we een cultuur van eer niet meer kennen, ja zelfs categoriaal afwijzen, betekent niet dat de idee van eer waardeloos is geworden. We moeten vermijden het kind met het badwater weg te gooien. In de vanzelfsprekende sfeer waarin de ideologie van de zelfbe­schikking en van de individuele autonomie de dienst uit­maakt, zou het juist goed kunnen zijn om dit idee nieuw leven in te blazen. Het is namelijk de vraag of deze ideologie wel geheel recht doet aan de morele werkelijkheid, of ze wel in staat is het gat te vullen dat door het wegval­len van sterke gemeen­schaps­banden is ontstaan. De marginalisering van het eerbesef moet mis­schien niet alleen worden gezien als een historisch feit, maar ook als een teken van een moreel vacuüm waarin het moderne individu dat alleen op zichzelf is aangewezen terecht kan komen. We hoeven niet te pleiten voor een cultuur van eer om toch in te kunnen zien dat het verlan­gen naar eer wezenlijk is voor een morele cultuur die meer wil zijn dan een verzameling autonome individuen. Wij, individualis­ten, zijn er terecht van overtuigd dat het individuele meer is dan een functie van het sociale. Wellicht kan een rehabilitatie van de eer ons duidelijk maken dat het sociale ook meer is dan een functie van het individuele.

Een verhandeling over de eer van de filosoof Schopenhauer biedt aanknopingspunten voor zo'n rehabili­tatie. Hij definieert daarin eer als 'het algemene oordeel van hen die ons kennen, over onze waarde onder een of ander ernstig te nemen opzicht'. De mens wordt geoordeeld door anderen en dat oordeel is van belang. Want 'aangezien we in de toestand van bescha­ving bijna alles wat in een of andere zin van ons is te danken hebben aan anderen en de samenle­ving; en bij alles wat we doen ande­ren nodig hebben, en zij vertrouwen in ons moeten stellen om zich met ons in te laten, heeft hun oordeel over ons, hoewel indirect, toch de aller­grootste waarde.' Iemand die volledig lak heeft aan andermans oordeel plaatst zich buiten de samenle­ving. Hij miskent dat zijn individue­le bestaan altijd ook afhanke­lijk is van de sociale verban­den waar hij deel van uit maakt. Door arbeid, nationali­teit, geslacht, burgerlijke status enzovoort is de mens onvermij­delijk sociaal verwikkeld. Ieders identiteit hangt ook altijd samen met wat hij gemeen­schap­pe­lijk heeft met anderen.

Als sociaal wezen verlangt de mens naar erkenning of eer voor wie hij is, voor wat hij doet en laat. Hij wil niet alleen voor zich­zelf iemand zijn, maar ook in de ogen van anderen. Hij wil iets voorstel­len, hij wil zijn leven gespiegeld zien in het beeld dat anderen ervan hebben.

Schopenhauer hekelt echter de toestand waarin dit verlangen het hele leven gaat beheersen. Een gezond streven verkeert in een waan, zodra de eer opgevat wordt als het hoogste goed waaraan al het andere onderge­schikt gemaakt moet worden. Hij bekriti­seert hen die voor de eer leven, hen voor wie de eer in het uiterste geval een kwestie van leven en dood kan worden.

Het gaat er dus niet om de gehecht­heid aan eer, aan een goede naam te bagatellise­ren, maar om deze tot haar ware redelijke propor­ties terug te brengen. Eer mag geen doel op zich zijn. Een mens moet niet gefixeerd zijn op de eer, maar haar via de gehecht­heid aan of de verbonden­heid met een objectieve waarde of betekenis verdienen. Het gaat erom de eerbied waardig te zijn.

Zo bezien is de eer geen zuiver duale relatie, maar een verhou­ding tussen twee mensen waarin nadrukkelijk verwezen wordt naar een 'derde punt', naar iets substantieel waardevols dat de reden of het motief vormt van de erkenning. De eer is dus in wezen een driehoeks­relatie. Anders gezegd: eer wordt door persoon A aan persoon B toege­kend en wel als deze een bepaalde waarde W in ere houdt. Het oordeel van A mag door B niet worden verabsoluteerd, zijn primaire zorg moet de realisering van die waarde blijven. Dat wat in de eer op het spel staat, valt dus niet samen met die eer zelf. Iemands waarde, zijn verbondenheid met een waarde en de eer die hem daarom ten deel valt zijn twee verschillende dingen. Dit betekent dat iemand de eer kan worden onthouden, terwijl hij hem wel verdient. En omgekeerd. Het kan dan ook volko­men terecht zijn andermans oordeel te trotseren en de onjuist­heid ervan aan de kaak te stellen.

Eer moet niet als het hoogste worden beschouwd, maar staat veeleer in het teken van een gerichtheid op iets 'objectiefs', iets dat algemeen erkend kan worden als goed en zinvol. In deze opvatting staat Schopen­hauer niet alleen. Aristoteles en ook zijn eeuwige mikpunt Hegel behoren tot de denkers die op eendere wijze het relatieve belang van de eer hebben benadrukt. De eerste onderkent de eer als een wezenlijk bestand­deel van het goede leven. Maar dat betekent niet dat ze zonder meer gelijkge­steld mag worden aan het levensdoel zelf. In zijn Ethica Nicomachea schrijft hij: '[H]et is duidelijk dat eer te oppervlakkig is voor wat we zoeken. Want eer schijnt eerder van de personen die haar toekennen afhanke­lijk te zijn dan van hem die de eer krijgt, terwijl we toch het vermoeden hebben dat het goede iets eigens is van een persoon (...) Zij [mensen met cultuur] streven er althans naar geëerd te worden door mensen met praktisch inzicht, ten overstaan van diegenen die hen kennen en wel om hun deugdzaam­heid. Het is dus duidelijk dat volgens hen deze deugdzaamheid het hogere doel is.' Eer om de eer, of erger nog: eer toegekend aan een laffe en onrechtvaardige persoon, dat is geen echte eer. Maar eer voort­vloeiend uit moedig en recht­vaar­dig handelen, dat is de eer die haar naam eer aan­doet. Een groot man is niet groot, omdat hij geëerd wordt, maar wordt terecht geëerd als hij een groot man is.

Ook Hegel verbindt de relatie van eer nadrukkelijk met iets waarmee de eer daadwerkelijk kan en moet worden verdiend. 'In de staat verkrijgt de burger zijn eer door het ambt dat hij bekleedt, door het door hem uitgeoe­fende beroep en door zijn overige werkzaamheden. Zijn eer heeft daardoor een substantiële, alge­mene, objec­tieve inhoud en is niet meer van de lege subjectiviteit afhankelijk.' (Enzyklopädie, par. 432.) In dezelfde passage levert Hegel bovendien kritiek op de valse eer die in de geest opvallend overeenkomt met die van Schopenhauer zelf.

De valse eer onder­scheidt zich van de ware eer door het ontbre­ken of wegval­len van de verwijzing naar een substan­tiële waarde, die verhindert dat persoon A en B in hun verlangen naar eer geheel op elkaar ge­fixeerd raken. Zonder iets dat hun verhou­ding overstijgt is er geen ander criteri­um meer dan hun subjectie­ve gevoeligheid voor de daden, woorden, ja zelfs blikken van de ander. Het juiste en verkeerde wordt dan niet meer gerela­teerd aan een onafhankelijke waarde, maar wordt volledig afhankelijk van de willekeur van een lichtge­raakt individu. Als dit individu zich gekrenkt voelt, dan is het gekrenkt. De geïncas­seerde krenking kan door A alleen door een aan B grotere toege­brachte krenking ongedaan worden gemaakt. Ze zitten gevangen in een duale relatie waar ze, in de negentiende eeuw tenminste, uiteindelijk alleen uit kunnen worden bevrijd door een duel op leven en dood. Het eerher­stel valt dan paradoxaal genoeg samen met de vernieti­ging van de relatie van eer.

De relatie van eer heeft te maken met het menselijke verlangen ergens bij te horen, een gewaardeerde plaats te hebben binnen een groter geheel. De ware eer zegt dat iemands betekenis minstens ook wordt bepaald door zijn loyali­teit aan een waardevolle externe realiteit. In de valse eer is deze loyaliteit verdwenen en blijft alleen het directe verlangen naar erkenning over; een verlan­gen dat zich niet zelden paradoxaal toont in een dwingende eis die wanneer ze ingewilligd wordt de erkenning eigenlijk waardeloos of tot een schijnerken­ning maakt. Want afgedwongen eer kan men moeilijk als echte eer beschouwen.

Deze analyse van de eer heeft niet alleen historische waarde. Ook in een tijd waarin het woord eer archaïsch klinkt, is het verlangen naar erkenning dat verwijst naar een oriënta­tie op een gemeenschappelijke betekenisvolle werkelijkheid actueel. Ook de moderne autonome mens verlangt niet alleen naar respect. Hij wil niet alleen als mens erkend worden, maar ook als iemand die zich wijdt aan iets dat ruimer is dan hijzelf.

Misschien dat dit verlangen zich het sterkste manifesteert in de sfeer van het werk. Er heerst een groot elan in onze maatschappij als het om arbeid gaat. En dat is niet alleen te verklaren vanuit de behoefte om een inkomen dat een garantie is voor een zo leuk en prettig mogelijk leven. Werk is voor veel mensen niet alleen een middel om geld te verdienen, maar heeft een intrinsieke waarde. De plaats van mensen binnen een organisatie of een bedrijf en de waardering die ze daaraan ontlenen, draagt voor een belangrijk deel bij aan hun zelfrespect. Mensen leggen eer in hun werk. En dat is nog wat anders dan het gegeven dat het arbeidsethos in onze samenleving ook samenhangt met de grote maatschap­pe­lijke status die aan het hebben van bepaalde banen wordt toegekend. Verlan­gen naar eer is niet hetzelfde als hechten aan status. Beroepseer houdt verband met hoe je je werk doet; het oordeel van collega's, dichtbij en verderaf, is daarbij in het geding. Status verwijst naar het oordeel van 'de samenleving' over het belang dat aan een beroep zonder meer moet worden toegekend. De hoogte van het salaris is hiervan een belangrijke indicatie. Een hoge maatschap­pelijke status kan samengaan met een geringe beroepseer. En omgekeerd. Er zijn managers die er met de pet naar gooien, er zijn onderwij­zers die hun hele ziel en zaligheid leggen in het leiden van hun klas.

In tegenstelling tot de arbeidssfeer lijkt de seksuele relatie in onze tijd verstoken van elke notie van eer. De gedachte dat de seksuele moraal een gemeen­schappelijke moraal zou moeten zijn, zal bij de moderne lezer niet op veel bijval kunnen rekenen. Wat gepast en ongepast is op het vlak van de gewenste intimiteiten moet, zo zegt men, worden overgelaten aan de twee partners. Zij, in onderling overleg, bepalen de grenzen. Het streven naar genot wordt daarbij in toom gehouden door het instemmings- en schadebe­ginsel. Alles mag mits de ander het goed vindt en er geen pijn van onder­vindt. Maar ligt het wel zo simpel? Vanuit deze gedachtegang zou men kunnen concluderen dat overspel alleen maar afgewezen zal worden als de partner zich erdoor gekwetst voelt. Wat niet weet, wat niet deert en alleen als het deert, moeten we van ons eigen genot afzien. Maar dat beantwoordt niet aan de morele ervaring van veel mensen. Het goede en het kwade is voor hen niet alleen en niet primair gekoppeld aan plezie­rige en pijnlijke gevoe­lens. Het kwade (en het goede) heeft een betekenis die de puur subjectieve ervaringen overstijgt. Men kan iemand kwaad berokkenen (goed doen) zonder dat hij het als zodanig ervaart. In dat geval speelt zoiets als seksuele eer nog wel degelijk een rol. In de intieme relatie is dan immers niet alleen het gevoel van de ander van belang, maar ook een van dit gevoel onafhan­kelijke waarde; niet alleen genot, maar ook vertrouwen. Deze waarde niet in ere houden betekent het vertrouwen van de ander beschamen, ongeacht of hij wel of geen weet heeft van de ontrouw.

Het kan als een vooruitgang worden beschouwd dat de seksuali­teit van een beklemmende burgerlijke moraal is bevrijd. Een zogenaamde gevallen vrouw hoeft in tegenstelling tot vroeger niet meer bang te zijn om als persona non grata uit de gemeenschap gestoten te worden. Het moraliserende vinger­tje is gelukkig veelal verdwenen. Maar dit betekent niet dat in de huidige seksuele verhoudin­gen geen eer meer op het spel zou staan. In veel relaties blijft de verwijzing naar een 'derde punt', de cultureel veranker­de waarde van seksuele trouw de grens tussen gepast en ongepast, tussen eer en eerloosheid bepalen.

In haar uitwassen laat onze maatschappij zien hoe het verlangen naar erkenning kan perverteren, wanneer er voor de verbanden waarin de mens van oudsher was opgenomen niets in de plaats komt. Het is mogelijk dat het moderne individualisme uitmondt in de viering van de lege subjec­tiviteit (Hegel) die zich aan geen enkele objectivi­teit gebonden acht. Deze leegheid moet echter toch op een of andere manier worden gevuld.

Het zogenaamde zin­loze geweld is hiervan het meest schrik­wekkende voor­beeld. Het gaat hierbij om een hevige uiting van agressie tegen een willekeurig persoon. Om niets. Iedereen kan slachtoffer zijn. Dit geweld wordt met een wat ongelukkige term zinloos genoemd, omdat er op geen enkele manier verwezen wordt naar een motief of een reden voor het geweld die dader en slachtoffer met elkaar verbindt. De 'relatie' ontstaat pas met het geweld. Het slachtoffer moet kortstondig een leegte vullen van iemand die niets anders heeft dan zijn eigen ongerichte gevoel van minachting en miskenning. Het slachtoffer hoeft eigenlijk niets te doen of te laten om dit gevoel op hem te laten botvieren. In het zinloze geweld is in tegenstelling tot het negentiende eeuwse duel zelfs de belediging niet meer nodig om aan een pervers geworden verlangen zich bij anderen te doen gelden tegemoet te komen.

Onschuldiger maar in haar uitwerking omvattender is de wijze waarop in de hedendaagse tv-cultuur het ontbreken van de transcendente waarde de eer vervalst. Terwijl je vroeger nog kon denken dat mensen op televisie kwamen, omdat ze een bepaalde waarde vertegenwoordigden, lijkt het nu eerder zo te zijn dat je een waarde krijgt als het je lukt op televisie te komen. Mensen worden niet meer gezien, omdat ze iemand zijn, dat wil zeggen omdat ze eer of roem verdienen. Het is omgekeerd: ze krijgen eer of roem, ze worden iemand, doordat ze gezien worden. TV laat ons zelden meer een beeld van de waarde zien, maar toont ons alleen nog maar de waarde van het beeld. Bart, Ruud en Willem, de winnaars van de eerste Big Brother-serie, werden geëerd, maar door wie, waarvoor en waarom deed er volstrekt niet toe: er was geen referentie naar een gemeen­schap tenzij naar die van het willekeurige tv-publiek; er was geen andere verwijzing dan naar hun in beeld gebrachte nietszeggendheid.

En zo ontpopt de beeldcul­tuur zich als de perfecte uitdrukking van een samenleving waarin de waarde van eer volledig is losgekoppeld van het in ere houden van echte waardevol­heid.