Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

De troost van de filosofie

‘Wat kun je er eigenlijk mee?' Dit is misschien wel de vraag die het meest gesteld wordt aan elke serieuze beoefenaar van de filosofie. Vaak met de meewarige toon van iemand die zich naadloos heeft aangepast aan de eisen van de moderne tijd waarin directe bruikbaarheid, pasklare toepasbaarheid en functionele kennis de dienst uitmaken. Is filosofie immers niet abstract, zweverig en lekker subjectief, leuk voor de late uurtjes bij een goed glas bier, maar verder zonder algemeen nut?

Achter deze retorische vraag schuilt doorgaans een hardnekkig vooroordeel en gebrekkige kennis over wat filosofie eigenlijk behelst. Want in plaats van zich bezig te houden met diepzinnige maar voor het gewone leven irrelevante kwesties staat in een belangrijk deel van de wijsbegeerte juist de voor iedereen belangrijke vraag centraal ‘Hoe gegeven de weerbarstige werkelijkheid een zo'n goed mogelijk leven te leiden?' In het zoeken naar een antwoord op deze vraag betoont de filosofie zich niet alleen als praktisch gericht, maar ook als veel minder abstract dan de meeste andere wetenschappen. Want het gaat haar om de gehele mens, een wezen dat denkt en voelt, verlangt en handelt en dat bekommerd is om het doel en de betekenis van zijn leven.

Het is juist de natuurwetenschapper die in zijn studie van krachten en elementen, moleculen en chemische verbindingen verregeaand abstractie maakt van dit door de mens concreet doorvoelde en ervaren geheel dat het ‘object' vormt van de filosoof. Dit ‘object' is weliswaar niet in exacte cijfers te meten, maar is daarmee nog niet vaag of onbepaald: ook de filosofie sluit aan bij de ‘empirie'. Zij vindt haar uitgangspunt in de ervaringen van mensen die zo goed en kwaad als dat gaat hun levens de moeite waard willen maken. En hoewel deze ‘empirie' niet bestaat uit de zogenaamde harde waarnemingsgegevens waar de wetenschappelijke kennis zijn objectieve status aan ontleent, beoogt het inzicht erin meer te zijn dan een toevallige subjectieve mening. Filosofische antwoorden op levensvragen bezitten inderdaad niet de eenduidige controleerbaarheid en onbetwistbare evidentie van empirisch-wetenschappelijke bewijzen, maar hebben wel de pretentie van algemeengeldige waarheden.

Dat je inderdaad met filosofie iets kunt, ja veel meer dan het vrijblijvend volpraten van wat verloren tijd, laat de jonge Engelse essayist Alain de Botton zien in zijn boek De troost van de filosofie. Op speelse, maar daarom niet minder betrokken wijze weet hij aan de hand van zes, allang gestorven filosofen de actuele zeggingskracht en praktische betekenis van hun denken voor de moderne lezer duidelijk maken.

De Botton sluit aan bij de opvatting van de Griekse wijsgeer Epicurus uit de vierde eeuw voor Christus. De filosoof moet een arts van de ziel zijn. ‘Zoals de geneeskunde geen soelaas biedt als zij de lichamelijke ziekte niet verdrijft, zo is de filosofie nutteloos als zij het lijden van de geest niet verdrijft.' De filosoof heeft als taak de mens te helpen om in het reine te komen met tegenslagen, teleurstellingen en verdriet, gefnuikte verlangens en de ongelukkige hand van het lot. Kortom, met zijn eindigheid en kwetsbaarheid. Het is nu eenmaal een feit dat de werkelijkheid vaak niet beantwoordt aan wat de mens wil, verwacht of vermag. Geen gelukkige zekerheid bovendien of ze kan worden geloochenstraft.

Globaal heeft de mens twee manieren om op deze wet van het leven te reageren. Hij kan proberen de werkelijkheid te veranderen en te verbeteren zodat hij de kans op ongeluk zoveel mogelijk verkleint. Wetenschap en techniek, recht en politiek zijn de instrumenten daarvoor. De ontwikkeling van betere medicijnen en prenatale diagnostiek, het afsluiten van goede verzekeringen, het raadplegen van de consumentengids, het bouwen van absoluut veilige skitreintjes... er is geen einde aan het bedwingen van de weerbarstigheid van een (mogelijk) pijnlijke realiteit.

De weg van de filosofie is een andere. Ze grijpt niet direct in op de werkelijkheid, maar wil onze kijk erop veranderen. Het nut van haar kennis ligt niet in de aanpassing van de werkelijkheid aan onze wensen, maar in de aanpassing van onze visie op die werkelijkheid én op de wensen en vermogens waarmee we die bestoken. Zo laat De Botton zien in een bespreking van het denken van de stoïcijnse filosoof Seneca dat menselijke frustraties alsmede de emotionele reacties daarop voor een belangrijk deel kunnen worden weggenomen door betere kennis van wat me met reden van de wereld kunnen verwachten. Onze woede dat het niet gaat zoals het zou moeten gaan is, aldus Seneca, maar zelden gerechtvaardigd, omdat ze gebaseerd is op de te hoge (onredelijke) eisen die we aan het leven stellen. De filosoof troost ons niet door ons een werkelijkheid te beloven die wel aan onze verwachtingen voldoet, maar ons in te laten zien dat frustraties nu eenmaal ‘in het contract van het leven' zijn opgenomen en dat het niet meer dan redelijk is om onze verwachtingen te temperen. Een schrale troost wellicht voor hen die het geloof van de wetenschap aanhangen, maar wel alleszins nuchter en een stuk minder ‘zweverig' dan de heilsboodschap van het maakbare geluk dat in dit geloof sluimert.

Niet alleen bij frustraties kan het filosofische denken troost bieden. Zo voert De Botton Socrates op als de wijsgeer die ons een helpende hand biedt als we lijden aan impopulariteit en Epicurus wanneer we onder geldzorgen gebukt gaan. ‘De mens die niet met weinig tevreden is, zal met niets tevreden zijn.' De beroemde essays van Montaigne bieden een rijkdom aan overwegingen voor hen die niet in staat zijn hun onmacht (op geestelijk en seksueel-lichamelijk gebied) te aanvaarden en in een juist reëel perspectief te plaatsen, terwijl de sombere denker Schopenhauer in De Bottons originele uitleg verrassend een remedie tegen liefdesverdriet blijkt te hebben. Nietzsches denken ten slotte leert ons dat pijn, lijden en moeilijkheden niet alleen negatief zijn, niet louter de vijanden van het denken en het leven. Het ware geluk is soms pas na zware ontbering te bereiken zoals de top van een in zwaar weer moeizaam beklommen berg. ‘Niet alles waardoor we ons beter voelen is goed voor ons. Niet alles wat pijn doet, hoeft slecht te zijn', zo besluit de schrijver zijn therapeutische gang door vijfentwintig eeuwen filosofie.

‘De troost van de filosofie' geeft niet alleen antwoord op de meewarige vraag naar het nut van de wijsbegeerte, maar maakt ook duidelijk dat filosofische wijsheden niet verouderen. Zo kan het dat het nog steeds zin heeft om een Griek uit de vijfde eeuw voor Christus, een Romein uit de tijd van Nero of een zestiende-eeuwse Franse edelman te raadplegen als je een arts zoekt voor je ziel. Zij zijn vooral aan te bevelen aan hen die een gezond wantrouwen koesteren tegen de stroom van de doorgaans uit Amerika afkomstige zelfhulpkwakzalvers die hun psychologische peptalk van een kaftje hebben voorzien (en zo in ieder geval zelf verlost worden van geldzorgen).

Alain de Botton, De troost van de filosofie, Uitgeverij Atlas 2000.