Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

De reiziger en de toerist

De vanzelfsprekendheid van het reizen voor je plezier is van relatief recente datum. Toerisme, zeker in de massale vorm die het nu heeft aangenomen, is een typisch product van de moderne tijd. Tot in de twintigste eeuw was op 'vakantie' gaan voorbehouden aan een rijke elite. De meeste mensen bleven gewoon 'thuis'. Hun actieradius was vaak niet meer dan een tiental kilometers die te voet werden afgelegd. Pas na de Tweede Wereldoorlog heeft de gemiddelde mobiliteit van de bevolking een explosieve groei doorgemaakt. De auto en later het vliegtuig werden in versnelde vaart gemeengoed: de voorwaarden voor een permanente stroom vakantiegangers waren geschapen. Terwijl de doorsnee volwassene rond 1900 nog niet meer dan ongeveer 2000 kilometer per jaar aflegde, is deze afstand voor de hedendaagse mens met één vliegreisje naar een Spaanse kustplaats of Grieks eiland al ruimschoots gehaald.

Het is de ironie van de geschiedenis. De eerste fase in de menselijke beschaving, het nomadenleven, vindt zijn pendant in de laatste fase, het toeristenleven. De fysieke nood van jagers en verzamelaars om telkens weer op weg te gaan, op zoek naar de volgende plek waar voedsel en beschutting was, is geëindigd in de luxe behoefte van de gesettelde mens die een paar keer per jaar gewapend met pinpas, reisgids en zonnebrandcrème op jacht gaat naar bezienswaardigheden. Bittere noodzaak is geworden tot een zelfgekozen 'avontuur' of welverdiende rust. Wie vrijwillig thuisblijft heeft iets uit te leggen, die ontzegt zich een van zijn belangrijkste 'mensenrechten': een vakantie in den vreemde.

Dat de reisdrift zo'n hoge vlucht genomen heeft, is niet louter terug te voeren op de vergrote technische mogelijkheden waarmee de mens zich over lange afstanden kan verplaatsen. De verregaande (auto)mobilisering van de westerse mens is op de eerste plaats te danken aan een veranderend mens- en wereldbeeld. Men reist niet alleen veel meer dan vroeger en met veel meer personen maar ook vanuit andere motieven.

Het prototype van de middeleeuwse reiziger was de pelgrim. Hij reisde om God te ontmoeten in de heilige (bedevaarts)plaatsen. Zijn beweegredenen waren religieus van aard. Hij ging niet op reis om het genoegen van de reis zelf maar om getuigenis af te leggen van het verschil tussen een profane en sacrale ruimte. Zijn 'landkaart' bestond niet uit 'routes du soleil' maar uit de smalle wegen die naar Rome, Santiago de Compostella of Vézelay leiden, naar kerken en kloosters. Zijn tocht door de wereld stond in het teken van de hemel; zijn lichamelijke inspanningen kregen betekenis in het licht van zijn zielenheil dat hem op de plekken van het geloof ten deel zou vallen.

Paradoxaal genoeg bestond de wereld voor de gelovige reiziger uit een aantal religieuze centra die hem er aan herinnerden dat niet hij en de wereld het centrum vormden, maar God. Vanaf de Renaissance, met het ontwaken van het moderne seculiere bewustzijn, verandert dit echter. Langzamerhand verliest God terrein aan de mens die zijn lerend vermogen en eigenmachtigheid gaat exploreren; zijn verticale oriëntatie maakt plaats voor een vastberaden 'horizontale' blik, een gerichtheid op nog onbekende verten. De mens wordt niet meer door God bewogen om Hem op een aantal vaststaande plaatsen te eren maar hij zet zich als autonoom wezen zelf in beweging - hij wordt auto-mobiel! - in zijn drang om zijn macht en kennis over de aarde te vergroten en zo in feite zichzelf te eren. Een ander soort reizigers treedt op de voorgrond: de wetenschapper, de koopvaarder en de ontdekker, die gedreven worden door andere motieven: kennis van de wereld, economische en politieke expansie.

Terwijl wij reizen veelal beschouwen als vrijetijdsbesteding ('even een weekje ertussenuit') was het voor de Europeaan van de zeventiende en achttiende eeuw een serieuze zaak, dé manier om te leren en zichzelf te ontplooien. Idealiter bracht de reis de mens in contact met andere culturen en leefwijzen, andere ideeën en gewoontes. Door zich hiervoor open te stellen kon hij zich bevrijden van eigen vooroordelen. Zelfkennis kwam aldus in een ruimer perspectief te staan: de diversiteit van maatschappijen, mensen en meningen vormde een spiegel waarin de reiziger zichzelf, zijn eigen leven en cultuur op een nieuwe wijze kon gaan zien. Montaigne, die via zijn beroemde Essays als een van de eerste vertegenwoordigers van het nieuwe Europa mag gelden, beschouwt reizen dan ook als een nuttige bezigheid: 'Ik ken geen betere methode om iemand te vormen dan hem voortdurend te confronteren met de verscheidenheid van de levenswijze van andere mensen, van hun zeden en gebruiken, van hun geaardheid en hun opvattingen.' Als bron van kennis werd de reis dan ook door verschillende schrijvers aanbevolen als een voltooiing van de opvoeding. Of de jongeren van nu een boodschap hebben aan dit reismotief valt te betwijfelen. Vooral drank en vertier, seks en avontuur(tjes) lijken hun rite de passage naar volwassenheid in hun vakantie kleur te geven, als je tenminste af moet gaan op wat de gretige media ons hierover te melden hebben.

Het afscheid van het traditionele religieuze wereldbeeld gaf een enorme impuls aan het reizen maar het is pas vanaf de Romantiek (eind achttiende eeuw) dat de voorlopers van de moderne toerist opdoemen: de mens voor wie de reis een doel in zichzelf is, die er zijn eigen heil en vrijheid in zoekt. Uit onbehagen met de ongebreidelde dadendrang van de stadse burgers die de wereld in bezit nemen, zoekt de romantische reiziger naar nog niet aangetaste plekken waar hij tot zichzelf kan komen. Het donkere woud, de kust en de weidse zee, het stille meer, het diepe dal en het hoge gebergte vormen voor hem de nieuwe 'heilige' plaatsen die een tegenwicht bieden aan de 'verlichte' maar benauwde ruimte van de industrieel-burgerlijke maatschappij. De Romantiek ontdekt de natuur als een intrinsieke waarde, als iets met een soort soevereine schoonheid die haar verheft boven haar nuttige functie voor de mens. Als wij onze steden verlaten, weg uit de economische drukte waarin we ons dagelijks bewegen, om te gaan genieten van de natuur dan delen we (waarschijnlijk zonder het te beseffen) in deze romantische erfenis.

Het is echter zeer de vraag of we nog wel in staat zijn om in onze tijd deze erfenis goed te beheren. Het moderne toerisme mag dan teruggaan op een romantisch sentiment, het heeft tegelijkertijd zodanige vormen aangenomen dat het de ervaringen waar dit sentiment op teert vrijwel onmogelijk lijkt te maken. Op de eerste plaats moet erop gewezen worden dat de hedendaagse exploratie van de natuur als reisbestemming gepaard gaat met haar vernietiging. Om al die miljoenen vakantiegangers aan hun jaarlijkse portie natuurschoon te helpen, is een ongekende aantasting van diezelfde natuur noodzakelijk. Om te kunnen genieten van de stilte in de bergen moet men eerst een enorme hoeveelheid lawaai produceren, om de schoonheid te kunnen ervaren van de ondergaande zon in de Provence moet men eerst de lucht vervuilen op de weg erheen.

Ook door de massaliteit ervan doet het moderne toerisme haar oorspronkelijke inspiratie teniet. De romantische reiziger was op zoek naar een authentieke ervaring, naar een bevrijding van burgerlijke conventies. Hij ging over nog ongebaande wegen, alleen, om oog in oog te kunnen staan met de overweldigende 'unheimliche' natuur. Voor de moderne toerist bestaat deze 'eenzaamheid' nauwelijks meer, als hij er al naar op zoek is. Sterker nog, de meeste toeristen verkiezen de veiligheid van soortgenoten. De stad ontvlucht vlijen ze zich neer op overvolle stranden, staan ze hutje mutje in complete campingdorpen of genieten ze en masse van het uitzicht op een per kabelbaan bereikbare bergtop. Hun vrijheid uit zich in aanpassen en conformeren! Ze rijden achter anderen aan over dezelfde wegen, zien wat anderen zien, maakt dezelfde kiekjes bij dezelfde sight-seeings. Als een karikatuur van zichzelf kopieert de moderne toerist het bestaan thuis dat hij juist achter zich gelaten had. Ja, soms vormt hij met landgenoten zelfs een knusse kolonie die 's avonds gezellig bij elkaar zit met een Hollands bakje koffie.

Zoals de Bijbel de pelgrim op het rechte pad hield, zo klampt hij zich vast aan zijn reisgids die hem vertelt wat hij gezien moet hebben. Het bezienswaardige - twee sterren: de omweg waard; drie sterren: de reis waard! - heeft voor hem de status van het heilige. Hij zoekt in de reis dan ook niet zozeer een authentieke confrontatie met het vreemde en onbekende, maar een bevestiging van de beelden en beschrijvingen die toeristen voor hem al hebben gemaakt. Dit geldt zelfs voor de avontuurlijke backpacker, de 'reizende romanticus' van de eenentwintigste eeuw die, eenmaal aangekomen aan de andere kant van de wereld, zich laat leiden door de tips in zijn stukgelezen Lonely Planet en zo vooral mensen als hijzelf zal ontmoeten. De titel van zijn reisgids moet dan ook welhaast ironisch bedoeld zijn.

De moderne toerist reist door een wereld die al volledig in kaart is gebracht. Zijn bestemming is in reisboeken en vakantiefolders al in veelvoud gereproduceerd en is met uitgebreide accommodaties, uitgezette wandelingen en plaatselijke zomerprogramma's op zijn komst voorbereid. Wat deze vorm van reizen zo onderscheidt van alle vorige uit het verleden is dat ze zelf zo sterk deel uitmaakt van de economisch gedicteerde wereld waar de reiziger juist graag even uit wil breken. 'De bevrijding uit de industriële wereld is zelf een industrie geworden, de reis uit de consumptiewereld vandaan is zelf verbruiksgoed geworden,' schreef de Duitse essayist Hans Magnus Enzensberger al begin jaren '60. Sindsdien heeft hij alleen maar meer gelijk gekregen. Het toerisme is een belangrijk economisch product geworden, voor een aantal landen is het zelfs de grootste bron van inkomsten. De reiziger die zich geheel aan dit product onderwerpt zal niet veel meer kunnen zijn dan een consument met een korte broek aan; een consument van voorgekookte ervaringen, van ansichtkaarten die bewijzen dat hij er is geweest, van prijzige consumpties en van (gratis!) zonnestralen die hij in zijn kikkerlandje zo node heeft gemist.

Maar gelukkig blijft er ondanks de vercommercialisering en verzakelijking van het reizen ook altijd nog de mogelijkheid bestaan om ver weg van huis ervaringen op te doen die niet zonder meer zijn in te passen in je vertrouwde (denk)kaders, om te proeven van een cultuur die zich niet al heeft aangepast aan de wensen van de toerist. En om ergens op een verlaten rotsig pad, terwijl de zon brandt op je hoofd, plots overvallen te worden door ontzag voor de stilzwijgende vreemdheid van de eeuwige natuur die met een soort onverschillige trots de mens met al zijn economische plannen blijft weerstaan.

Verschenen in Intermediair 29, 2002 en in Geografie 6, 2003.