Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Wie het kleine (verzet) niet eert....

Voor Jan

Zijn naam is klein, hijzelf ook, maar zijn fietsdaden zijn groot. Mocht ik maar 140 tekens tot mijn beschikking hebben om Jan de wielrenner te karakteriseren, dan zou ik me tot dit zinnetje beperken. Maar gelukkig heb ik meer ruimte om de loftrompet te steken over deze nieuwe jubilaris van het Buffelgilde.

Legendarisch en veelbezongen zijn zijn heroïsche duels met Laurens op de flanken van een van die talloze cols die hij in de loop van vele jaren heeft bedwongen. De namen en de hoogtes daarvan mogen in de vergetelheid raken, maar niet het beeld van die twee zwoegende mannen, die, hoewel in stijl zo verschillend, veroordeeld waren om eeuwig bij elkaar te blijven, als Jut en Jul, hoe zeer ze ook hun best deden om de ander definitief achter zich te laten en zich, al is het maar voor even, te wentelen in het euforische gevoel superieur te zijn. (Het is voor mij een mythisch beeld, ik ken het vooral uit verhalen, door Henk met veel genoegen opgedist. Te zelden was ik in de buurt om die tweestrijd van dichtbij te mogen aanschouwen.)

Mocht Jan zo'n gevoel toch wel eens deelachtig zijn geweest, dan zou hij het, zo vermoed ik, niet laten blijken. Daarvoor is hij veel te bescheiden. Ik probeer me hem voor te stellen, juichend met zijn beide handen in de lucht, twee vingers priemend omhoog, terwijl hij minzaam achterom kijkt waar de ander blijft, maar het wil maar niet lukken.

Nee, Jan is niet het type ‘winnaar'. Had hij in een profploeg gezeten, dan zou het kopmanschap hem niet zijn toegevallen. Eerder was hij meesterknecht geweest, de renner op wie je altijd kunt bouwen, die nooit versaagt, de stille kracht achter de successen, de ‘brooddrager' van de ploeg; iemand die anderen (Laurens!) inspireert tot grotere prestaties dan ze zelf voor mogelijk hadden gehouden.

En had hij eens voor eigen kansen mogen gaan dan was het in een lange vlucht geweest. Voor het peloton uit rijdend, kilometer na kilometer na kilometer onder zich weg malend, alleen met zijn fiets, zou hij gelukkig zijn. En zou het hem niets kunnen schelen dat die vlucht tot niets zou leiden, dat hij, trappend in dat kleine verzet van hem waarop hij nog uren had kunnen doorgaan, uiteindelijk weer opgeslokt zou worden door datzelfde peloton dat zich opmaakt voor de finale. De winnaar zou een ander zijn, maar Jan had een prachtige dag gehad.

Zonder iemand anders tekort te willen doen, durf ik het daarom wel aan om te stellen dat Jan op voorbeeldige wijze de Buffelgeest belichaamt. En om bij voorbaat alle misverstanden uit de weg te ruimen: dat is in deze context als een groot compliment bedoeld. Het fietsen om het fietsen, fietsen om te blijven fietsen, dat is het wezen van het Buffelbestaan. Jan heeft dat volgens mij als een van de besten begrepen, zonder er overigens veel woorden aan vuil te maken. Fietsen om te winnen, om de eerste te zijn, om voor de ander boven op die col aan te komen: ook dit motief was en is aanwezig. Ik zal de laatste zijn om dit te ontkennen. Het spel spelen, je wielrenner wanen, versnellen bergop, de ander lossen en dat lekker vinden, hard trainen voor de week in juli, de spanning voelen op de ochtend van de eerste dag: het fietsen om het fietsen zou nooit zo leuk zijn zonder het element van strijd en rivaliteit. Er moet kortom wel iets op het spel staan, bij al die doelloze omwentelingen van de pedalen, anders had je net zo goed met je vrouw kunnen gaan fietsen.

Jan heeft altijd met verve zijn partijtje meegeblazen in dit spel maar een halszaak heeft hij er naar mijn weten nooit van gemaakt. Hij liet zich niet voorstaan op zijn ‘overwinningen' en leed evenmin onder ‘verlies'. Zijn vreugde om een goede klassering was gedempt, evenals zijn frustratie om slechte benen. Als hij maar kon (blijven) fietsen, het liefst zoveel mogelijk kilometers. Zijn belangrijkste winst boekte hij dan ook niet op andere Buffels maar op zijn eigen weerspannige lichaam. Zijn heup bleek zijn grootste tegenstander, niet Henk, Pjotr of Laurens. Vanuit de verte heb ik met bewondering gezien hoe hij met die tegenstander is omgegaan en uiteindelijk heeft verslagen.

Nu de kern van de Buffels helemaal uit zestigers bestaat, is die door Jan belichaamde geest langzamerhand over iedereen vaardig geworden, ondergetekende incluis, ook al is die nog maar net vijftig. De schijn van het spel wordt steeds minder opgehouden, de essentie steeds meer blootgelegd: laat dat winnen maar zitten, als we maar mogen blijven fietsen...

En toch wil ik niet zo afsluiten. De nostalgie roept.

Het moet ongeveer tien jaar geleden zijn geweest. In de tijd dat de benen nog relatief jong waren en het drinken van Bellevue-wijn nog heel bijzonder was. We zaten in ieder geval in de Pyreneeën. Het was nog vroeg en kil toen we begonnen aan een zware lange dag met vele hoogtemeters. Na een korte aanloop en met nog koude spieren begonnen we aan de Col d'Aspin. In mijn herinnering - ongetwijfeld vertekend door het verhaal dat ik wil vertellen - bleef ik na een paar kilometer alleen met Jan voorop. Ik zette aan, en nog een keer, maar hij gaf geen krimp. Soepel pareerde hij elke versnelling. Zij aan zij gingen we omhoog. Steeds sneller leek het. Ik forceerde, ik fietste harder dan goed was, te veel en te lang in het rood. ‘Dit ga ik de rest van de dag bezuren,' weet ik nog dat ik dacht. Samen kwamen we boven.

In de lange afdaling naar de voet van de Tourmalet probeerde ik weer op krachten te komen na deze door Jan ‘uitgelokte' belachelijk grote inspanning. Ik zag plots op tegen die reus van de Pyreneeën die me een vorige keer toch welgezind was geweest.

Inmiddels was het warmer geworden. Dat was tenminste iets. Het beeld zoals dat zich aan me opdringt: we zijn opnieuw met zijn tweeën over, we fietsen door de halfdichte tunnels, er is een vuile wind op kop. Het gaat moeizaam, het gaat heel moeizaam. Ik zit kapot. Het deksel van de Aspinklim op mijn neus. Ik kijk naar Jan, hij maalt verdomme maar door op die stomme koffiemolen. Hij pakt een meter, en nog een meter, en nog een meter. Er valt een gat, hoe is dat in godsnaam mogelijk! Als hij nou omkijkt en een paar extra trappen geeft, lig ik er definitief eraf, besef ik. Dan is het elastiek geknapt. Maar hij kijkt niet om, en ik hark weer naar zijn achterwiel. Mijn lichaam wil lossen, maar ik niet, is dat niet prachtig? Wie zei er ook weer dat ik niet kon afzien?

En zo ploeteren we verder. Met elke trap zijn we dichter bij het einde, zo houd ik me in gang. Wat duurt een kilometer lang, en wat blaast die wind gemeen. Fietsen leuk? Laat me niet lachen. Waanzin is het. En dan gebeurt het toch. We doen niets, althans niets anders dan daarvoor en toch gebeurt het: Jan blijft achter. En ergens diep in mij vind ik nog een restje energie om dit geschenk van de goden uit te pakken. En heel, heel langzaam wordt het verschil daarna groter.

Anderhalve minuut na mij komt bij boven. Hij lijkt niet zo moe, lang niet zo uitgeput als ik me voel. Terwijl we samen wachten op de anderen die nog als stipjes op de bergflanken zitten vastgeplakt, zeg ik: ‘Dit was je kans, Jan. Vandaag had je me kunnen hebben. Ik zat helemaal stuk. En je had een gat.' Hij kijkt me aan en lacht. ‘Ach,' antwoordt hij.

De volgende dag staat hij voor iedereen op en pakt zijn fiets om brood te halen voor de hele groep. Het wordt weer een prachtige dag.