Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

De tijd van wielrennen

Voor Henk

Om met Prediker te spreken: er is een tijd van doorgaan en er is een tijd van stoppen. Dit mag in veel gevallen een wijsheid heten, ze lijkt niet van toepassing op de Buffels. En al helemaal niet voor hun Grote Leider zonder wie de kudde waarschijnlijk stuur- en doelloos in het rond zou trappen. Voor de Buffel die zijn naam eer aan wil doen, is er alleen een tijd van doorgaan. Lente, zomer, herfst, winter - de benen blijven malen. Ze moeten; ze kunnen niet anders.

Nee, stoppen is geen optie. Het wielerleven begint bij zestig. Zie Laurens, zie Jan B. Een opa op een fiets, wie verzint zoiets? Nou, Frans bijvoorbeeld. Een kleinkind in je armen gaat heel goed samen met de grote molen wind mee door de polder. Een versleten heup die het lopen al te pijnlijk maakt? Er is altijd nog de fietsbeweging. Zie Jan M.

Dat is het mooie van wielrennen: de tijd heeft er nauwelijks vat op. Wie het bijhoudt, blijft op niveau. De kracht mag wat afnemen, de versnelling bergop geen naam meer hebben, de rustpauzes mogen wat langer worden, de gemiddelde snelheid wat lager, het fietsen lijkt nog steeds op wielrennen.

Zie Henk bijvoorbeeld. De laatste jaren - ja, hij ging toch echt richting zestig - bleek hij zelfs beter te rijden dan een aantal jaren daarvoor. Tot grote ontsteltenis van vooral Laurens.

Ik schijn ooit tegen hem gezegd te hebben dat ‘Henks wielercarrière nu wel zo'n beetje voorbij lijkt'. Het waar en wanneer van die uitspraak kan ik me niet meer herinneren. Maar dat ie onweersproken bleef, dát is me wel bijgebleven. Overigens - maar dit terzijde - moet ik bekennen dat ik ten overstaan van Henk op een later tijdstip dezelfde uitspraak over Laurens heb gedaan. En nee, ook toen geen enkel protest bij de toehoorder.

De tijd van de wielrenner. Het mooie is dat je dat op twee manieren kunt opvatten. De tijd is lineair en de tijd is cyclisch, de tijd is een lijn en de tijd is een cirkel. Er is geen sport waarin die twee tijden zo mooi allebei hun rol spelen, elkaar bevruchten, bestrijden of afwisselen.

In het echte wielrennen gaat het uiteindelijk natuurlijk om de lineaire tijd: wie heeft de minste tijd nodig om een afstand van A naar B af te leggen. De lineaire tijd is de tijd van de tijdrit; is de tijd van de voorsprong die de winnaar heeft na drie weken Tour de France. Wie zit het kortst op de fiets, dát is de essentie van het wielrennen als sport.

Dat roept - het is niet anders - meteen de kritische vraag op of de Buffels - en hun parcoursbouwer in het bijzonder - deze essentie niet wat uit het oog verloren zijn. In menige Buffelalpien leek het er tenslotte eerder om te gaan wie het langst op de fiets zat. De mannen die in het halfdonker de camping op reden, die nog net niet de hond in de pot vonden, dát waren de echte helden. En Henk zat daar niet toevallig altijd bij. Een echte A-renner zogezegd - met de A van allemachtig wat een afstand.

Ik herinner me zo'n dag. Bijna tweehonderd kilometer stond er op het programma, met drie cols van buitencategorie, in het grensgebied van Italië en Oostenrijk. Twee dagen in één, omdat we door slecht weer een dag noodgedwongen op de camping hadden moeten blijven. Ik had er een zwaar hoofd in, maar vond dat ik het aan mijn stand verplicht was om me bij de diehards van de kilometervreters te voegen. Op de laatste col persten we onze laatste druppels energie uit de afgepeigerde lijven. Het was geen wielrennen meer, het leek zelfs niet meer op fietsen, het was alleen nog maar de op breken staande wil om die cirkelbeweging van de pedalen voort te zetten. Vier eenzame, amechtig voortploeterende zielen op zoek naar een top die maar niet wilde komen. Op kop liggen had alle betekenis verloren. Ik kon niet sneller en ik kon niet langzamer. Dichter bij de essentie van het Buffelfietsen was ik waarschijnlijk nog nooit geweest! En die gedachte werd nog sterker toen de al lang geloste Laurens me in de laatste honderden meters van de klim achterhaalde. Dat kon helemaal niet! Maar het kon: het was de wet van de afstand die zich hier liet gelden.

Het belang van de lineaire tijd - de tijd die verband houdt met snelheid, met achterstand en voorsprong, met verbreking van records - wordt geringer naarmate men ouder wordt. Voor de Buffels althans. En te verwachten valt dat nu ook Henk de leeftijd der zestigers heeft bereikt dit belang nog meer zal afkalven. Maar rouwig hoeven we daar niet om te zijn. Want er blijft nog genoeg andere tijd voor het wielrennen over: de cyclische tijd, de tijd van de seizoenen - het fietsen in het bos door maagdelijke sneeuw, in het prille begin van de lente als de benen nog wit zijn, in de verzengende hitte tijdens de beklimming van een col in de zomer, op de dijk met een kille najaarswind tegen. De tijd die steeds weer terugkeert naar zijn begin - herhaling en belofte ineen. De tijd die perfect past bij de cyclische beweging van het fietsen zelf.

Als de lineaire tijd bij de sport hoort, dan de cyclische tijd bij het spel. In de sport gaat het om winnen, de hoop daarop moet in ieder geval levend gehouden worden. In het spel gaat het om het spel, en dat het maar door mag blijven gaan, ook als er nog maar weinig te winnen of te verliezen is. Soms spelen we dat we sporten: dan eist de lineaire tijd weer even zijn rechten op. Stiekem kijkt Henk op zijn computertje om vast te stellen hoeveel minuten hij op deze col weer op Laurens voorlag.

De cyclische tijd is ook de tijd van de generaties, de tijd van de ouder die zichzelf herhaalt en vernieuwt in zijn kind. En laat zo'n kind soms nog beter kunnen wielrennen dan haar of zijn vader! Ja, weer is Henk het beste voorbeeld. Hij mag dan een aardig stukje kunnen fietsen, maar voor echt talent moet je toch echt bij zijn dochter zijn.

Toen ik Henk leerde kennen, had zich in mijn leven in de verste verte nog geen nieuwe generatie aangediend. Inmiddels mag ik hopen dat ik ooit met zoon of dochter een col zal beklimmen. Wellicht is het een ijdele hoop. Toch is het een aantrekkelijk beeld: ik ben zestig en fiets samen met Henk - inmiddels de zeventig gepasseerd - de Holdeurn op. Bij ons een jongen van 14 op zijn eerste racefiets. In de laatste kilometer, vlak na de parkeerplaats, fladdert hij van ons vandaan. Even probeer ik nog aan te haken maar ik zie al gauw het nutteloze ervan in. Weg is ie, als een jonge vogel die voor het eerst uitvliegt. Dit kan toch niet, dit was mijn klim! ‘Hij heeft het niet van een vreemde', deelt Henk me even later troostrijk mee.

Laat ik eindigen met de wens dat de tijd van (Buffel)wielrennen voor jou, Henk, nog lang mag duren. Lineair op weg haar het einde, maar cirkelend zolang als het kan, jaar in jaar uit, seizoen na seizoen, pedaaltred na pedaaltred, als in een spel dat geen einde kent.