Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

De prins op het stalen ros

De fiets in de poëzie

Voor ons, nuchtere Nederlanders, is de fiets doorgaans niet meer dan een handig vervoermiddel. Fietsen is een prozaïsche bezigheid waar we normaal niet bij stil staan - tenzij we moeten wachten voor het rode stoplicht (en dan nog!) of de band lek is. Eenmaal geleerd is fietsen net als veters strikken: het gaat automatisch, het krijgt de vanzelfsprekendheid van ademhalen.

Niettemin heeft het altijd onze vaderlandse dichters geïnspireerd. Wat zo gewoon en aards is dat het alleen een pragmatische aandacht lijkt te verdienen (doet de rem het nog goed? zijn de banden wel hard genoeg?) blijkt onder hun handen een meerwaarde te krijgen: de fiets en het fietsen heeft naast een instrumentele ook een poëtische betekenis. Zoals voor de dichter de taal nooit alleen een middel is om informatie of een boodschap over te dragen, zo is de fiets voor hem nooit alleen een middel om je van A naar B te verplaatsen.

Veeleer lijkt de dichter de fiets te 'gebruiken' om zijn gehechtheid aan de wereld, zijn verbondenheid met de aarde uit te drukken.

Ik neem mijn fiets en rijd de wegen over,
de smalle wegen van dit breede land;
de boomen huivren in hun laatste loover
en kale takken krijgen overhand.
Diep in mijn hart voel ik den hechten band,
die mij verbindt met deze nuchtre streken...
(Koos Schuur Novemberland (fragment))

Men kan zich moeilijk voorstellen dat er had gestaan: ik neem mijn auto.

De auto isoleert je van het landschap, de fiets brengt je er midden in. De auto sluit je af van de zintuiglijke sensaties waar de dichter van leeft. In volle teugen /Drinkt hij de lucht, aldus Albert Verwey. Een fietser ruikt, ziet en hoort de natuur. Ook al is hij zelf soms ook een ordeverstoorder:

Het piepen van mijn fiets
tegen groen aangelopen bomen
doet weinig onder
voor de vogels
die het indringende geluid
niet aan te horen vinden
(Piet Kalteren Op de fiets (fragment))

Er zijn meer redenen waarom het fietsen een dankbaar poëtisch onderwerp is. Het is voor veel dichters verbonden met (romantische) herinneringen. Het doet hen - al dan niet nostalgisch - terugkeren naar vroeger, naar een voorbij verleden dat bewaard wil blijven.

Wat maakte de fiets tot hun liefste bezit?: zo vraagt K.L Poll zich in het gedicht Een idylle af. Zijn gedicht vormt zelf het antwoord:

Het Terryzadel met rimpels op een zwarte huid.
Het stuur, omkeerbaar gewei, met brandbaar
celluloid omwikkeld. Denk aan het evenwicht
dat nodig is voor sturen met de handen los
of aan het manoeuvreren met de ellebogen,
bladerend in een schrift, of aan de bel
die doorklinkt als hij nieuw is, maar later,
verroest of zonder dop, kraakt als een kikker
in de avond.....
(fragment)

T. van Deel geeft in zijn gedichtje Vereenzelviging aan zo'n herinnering een ironische wending. Hij blijkt zelf de fietser te worden waarvoor hij zich in zijn jeugd geneerde. Nu en vroeger blijken meer gemeen te hebben dan hem lief is:

Voor de fietser met oorkleppen,
met knijpers in zijn pijpen,
kappen aan zijn stuur,
die ik nu haast geworden ben,
schaamde ik me vroeger al.

Fietsen is een smal evenwicht in beweging. Dit evenwicht moet geoefend worden. Met vallen en opstaan. Met een ouder iemand - meestal de vader - in de nabijheid die je zadel vasthoudt totdat dat niet meer nodig is. Je fietst los!

Leren fietsen is meer dan leren fietsen, het is een rite de passage. Het vormt een prachtig concreet beeld van de band tussen ouder en kind én de pijnlijke maar onvermijdelijke losmaking van die band. Een - niet overal even geslaagd - gedicht over 'leren fietsen' zoals Het sentiment van Henk Spaan krijgt hierdoor een extra lading. Er staat meer dan er staat.

Wie aan fietsen leren denkt
Ziet over straat zijn vader hollen
(...)
De pijn van 't vallen doet je gruwen
Maar eindelijk fiets je dan los
Je benen malen, voeten duwen
Tegen de dikke houten klos.
Waarom moet je nu huilen?
Waarom, je fietst toch los?
Voor vader kan hij ook geen traan verschuilen
De cowboy op zijn stalen ros.

Waarom huilen? Misschien omdat het jongetje in zijn vreugde van het los fietsen ook al de pijn voorvoelt van het loslaten van zijn vader.

In het laatste gedicht uit de cyclus Doorschijnend lichaam thematiseert Eva Gerlach - op subtielere wijze - ook het paradoxale samengaan van verbondenheid en loslaten tussen ouder en kind c.q. moeder en dochter. Opnieuw lijkt het fietsen hier te staan voor de eerste (onbewuste) verrukte ervaring van vrijheid en onafhankelijkheid.

Terwijl ik met haar praat, zij luistert niet,
neemt zij haar handen van het stuur, klapt tweemaal
snel na elkaar, fietst door.
Zon ketst op haar scheef door elkaar gegroeide
tanden als zij lacht, ik kan het, zie je
dat ik het kan? Zal ik het nog een keer doen?
Neemt haar handen van het stuur, klapt tweemaal
snel na elkaar, fietst door.

In de mooiste fietsgedichten is de fiets het 'voertuig' voor de dichter om iets anders uit te drukken. Het gevoel van persoonlijke vrijheid, de herinnering aan vroeger tijd of zijn verbondenheid met het landschap. Ook lijkt de fiets - veel meer dan de auto - bij uitstek geschikt om een romantisch liefdesverlangen mee te vervoeren - een verlangen dat onvervuld moet blijven of dat nog niet vervuld is. De auto is te luxe, de liefde kan te gemakkelijk geconsumeerd worden. Op de fiets moet het noodgedwongen kuiser aan toe gaan maar is de lichamelijke nabijheid des te voelbaarder en de verliefdheid des te heviger. Geen voze achterbank waarop je het kunt doen maar wel een bagagedrager waarop de prins op het stalen ros zijn geliefde kan meenemen. Lees hoe Victor Vroomkoning zelfs een lekke band inzet om zo'n verliefdheid te vertolken

Liefde

De achterband van mijn fiets plakkend
voel ik jouw hand van gisteren
de knoopjes naar mijn hart lostasten,
hoe je kopjes aan mijn rug geeft.
Ingesponnen tussen de tokkel
van je vingers en het bonzen
van je slaap, reed ik je
tot in de schemering.
Het enige dat niet zweeg
was het wiel in zijn zachtjes
aanlopend verweer. Oud en zwaar
piepten we door het achterland.
Ik streel de lijm om het gaatje
en wacht tot die wit is opgedroogd.

De seksuele connotatie van de laatste twee regels is onmiskenbaar. Het gaat in dit gedicht om een kuisheid die - als een band die te hard is opgepompt - op springen staat.

In een ander vers fietst deze romantische dichter alleen. Opnieuw blijft hij achter met de onvervuldheid van zijn verlangen. (Maar ook - een hele troost - opnieuw met een fraai gedicht.)

Entre-deux

Het overkomt me op de dijk.
Een vrouw vaart in de stroom
langszij, met hoofd en handen
duidt ze: houd me bij.
Ik doe geen trap te veel
maar of het nu de wind is
of de zucht, een kwart uur
zijn wij aan elkaar gelijk.
Dan komt de bocht waarmee
mijn weg het land in keert.
Terwijl ik afweeg haar
te enteren verkondigt zij:
vergeet het vlees, omhels
het staal tot roest je breekt.

Van staal tot roest: dat is de weg die de fiets zal moeten gaan. Hij is, hoe degelijk ook, uiteindelijk even vergankelijk als het liefdesverlangen zelf. Rust roest.

Fietsers zijn doorgaans geen dichters. Maar dichters zijn vaak wel fietsers. (Is een goed gedicht ook niet te beschouwen als een smal evenwicht in beweging?) Geen enkele dichter gaat echter zo ver als Jan Kal voor wie het fietsen meer was dan alleen een onderwerp of thema van poëzie. Hij schreef:

Dichten is fietsen op de Mont Ventoux

De dichter zegt niet in mooie woorden wat over fietsen. Fietsen zegt wat dichten is. Het is de metafoor van (zijn) poëzie. Het is echter niet zomaar fietsen, het gaat om fietsen op de Mont Ventoux. Wie dat wel eens gedaan heeft, wie de moeite en de verrukking van het beklimmen van die reus in de Provence heeft gekend, begrijpt dat dichten geen eenvoudige zaak is en nooit de vanzelfsprekendheid zal krijgen waarmee wij elke dag op onze fiets springen en wegrijden.

Verschenen in Vogelvrije Fietser 7, 2001