Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

De inlossing van een belofte

Het moest er ooit van komen: het beklimmen van de Mont Ventoux. Deze legendarische reus in de Provence spookte al jaren door mijn wielrenfanta­sieën. Niet in de laatste plaats door de heldenverhalen van mijn fietsmaten die mij voorgegaan waren in het bedwingen van 'de berg van de wind' waarop Tommy Simpson zich dood reed. Ik had de verslagen van Puk, John en Max gelezen en de berg was nog zwaarder en moeilijker geworden dan hij op grond van de percentagegra­fieken toch al leek. Puk had me tot tranen toe geroerd met zijn be­schrijving van zijn beklim­ming uit het voorjaar van '99. John had me ervan overtuigd dat je de Mont Ventoux niet midden op een hete dag op moet gaan en Max had me (ongewild?) op de lachspieren gewerkt met de pathetiek waarmee hij zijn tijd van 1 uur en 45 minuten omkleedde en die hem zelfs even op dezelfde hoogte als Simpson plaatste - "Terwijl ik daar sta en de tekst op zijn gedenksteen lees, welt er plots een heftige ontroering in me op. Ik voel me intens met hem verbonden. Wij zijn hel­den!!" Tsja.

Het is 11 augustus 1999 als Roger, Paul en ik met de auto het parcours voor de geplande tijdrit van morgen verkennen. De zon schijnt in een strakblauwe hemel. We rijden door 'het bos'. En ik kom tot de conclusie dat mijn voorstelling ervan anders is dan de werkelijkheid. De weg is breder dan ik dacht en niet overal even steil. Er zijn meer 'rust­punten' (stukjes van 7/8 procent) dan de verhalen suggereren. Heroïek is ook een kwestie van overdrijving, denk ik bij mezelf. Een held wordt groot door het verhaal, groter dan door datgene waarop het verhaal is gebaseerd. Zo schrijft John: "Het bos, tien kilometer lang vreselijk bos, tien kilometer lang wachten op een bocht: om even de benen te laten vieren, even voor luttele seconden die druk van de pedalen te halen, even een grote slok zuurstof te happen. Maar het bos kent geen bochten,niet één. Het bos is genade­loos: een lange weg recht­door, die zonder dat je het ziet voortdurend tien procent of meer omhoog voert: dodelijk voor de benen, dodelijk voor het moreel." Nou, nou. Kan het niet iets minder? Dodelijk voor slechte benen - ja, dat wel.

Hoe zwaar de Mont Ventoux objectief gezien ook is, het min of meer afzien in de beklimming ervan wordt ook bepaald door subjectieve factoren­: het verzet dat je wilt rondkrijgen, het tempo dat je vol wilt houden, het al dan niet vinden van een ritme, de juiste inschatting van je krachten, de vorm van de dag, het kunnen afzien. Mensen die in 2 uur boven komen zijn niet per se vermoeider dan mensen die een half uur sneller zijn. Ik ben tijdens beklimmingen vaak mensen voorbijgegaan, die niet de indruk gaven stuk te zitten, maar die toch geen meter harder konden. Ik ben deze week kapot gegaan op de objectief toch niet al te zware Col de la Colom­bière (ja zelfs in de klim afgestapt, en boven vijf minuten uitgewoond over mijn stuur gehangen), terwijl ik de Tour de France-giganten, de Glandon, de Madeleine en de Telegraph-Galibier relatief veel gemakke­lijker bedwong.

Het is indrukwekkend - het kale steenlandschap waar de bijna 7 kilometer weg vanaf Chalet Reynard naar de top doorheen voert. Zoiets heb ik nog nooit gezien. We stoppen bij het monument van Simpson. Het waait hier hard. Het is nog anderhalve kilometer en we hopen hardop dat het morgen­vroeg mee zal vallen met de wind.

Ik weet niet wat Simpson gepres­teerd heeft als wielrenner, ken hem alleen van zijn fatale klim van de Mont Ventoux in de Tour van '67. En dat zal voor de meeste mensen gelden. Het is een twijfelachtige eer zo herin­nerd te worden. Het is vreemd en huivering­wekkend te bedenken dat iemand met nog zo'n kort stuk te gaan van uitput­ting niet meer verder kon en aan de gevolgen ervan overleed. Wat is nou anderhalve kilometer? Maar ik weet zelf hoe zwaar en lang juist de laatste kilome­ters kunnen zijn. Als je de top al ziet liggen, als je al weet waar je moet zijn. Ook morgen - zo zal blij­ken - doe ik weer die ervaring op... Op het monument is een klein gouden plakkaat uit 1997 bevestigd met de tekst 'No mountain is too high'. Daaron­der de namen van zijn twee dochters. Die zullen nu ongeveer net zo oud zijn als ik. Ik kan niet nalaten te denken: deze berg was toch wel te hoog? Wat willen ze met die tekst zeggen? Is het een postume bezwering van een verlies van een vader die ze nauwelijks hebben gekend?

Als we de volgende morgen om half acht opstaan is het koud en bewolkt. Om de hitte voor te zijn, wilden we vroeg vertrekken. Maar er is geen hitte en het ziet er niet naar uit dat die snel zal komen. Des te beter. De omstan­digheden zijn goed, de benen ook en de spanning vooraf hoort erbij.

Precies op de dag af is het tien haar geleden dat ik met John gebroe­derlijk op weg was naar de top van de Col d'Agnel. Het had het letterlijke hoogte­punt van die vakantie moeten worden. Maar steenslag verhinderde dat. Vandaag gaat het om het figuurlijke hoogtepunt van deze vakantie. (De Galibier gaat naar 2645 meter.) Ik vind dat ik het aan mijn stand verplicht om ruim onder de 1 uur 30 minuten te finishen. Maar wat is ruim? Wordt het tevredenheid of euforie? Ik besluit dat ik met 1.25 tevreden zal zijn. De realist in mij zegt dat ik deze tijd kan halen, de dromer in mij gaat voor 1.20.

Inrijden van Malaucène naar Bedoin. We passeren de Col de la Madeleine (448 m). Nee, dan de echte, die naar 2000 meter gaat en die we afgelopen zondag hebben 'gedaan'. Toen voelde ik dat het wel goed zat met de vorm. De 20 kilometer omhoog, zonder een moment te verslappen of te force­ren, in 1 uur en 23 minuten en een klein beetje. De Mont Ventoux is wat langer en wat steiler. Maar hij maakt me niet bang. Het heilige ontzag dat sommige wielrenners voor deze berg hebben, al dan niet na een half gelukte poging om de top te bereiken, is mij vreemd.

Bij de start gaat Roger er als een speer vandoor. Na tweehonderd meter ligt hij al vijftig meter voor. Ik vind het best. Ik hoef hem alleen maar in het oog te houden de eerste 5.5 kilometer, dan zal het met mijn tussentijd wel in orde zijn. Bij het bruggetje heb ik 14.48. Ik zit ongeveer op schema.

Na 7.5 kilometer passeer ik Roger. We zitten in het bos. Aanvankelijk rijd ik nog 39x23, dan schakel ik naar 39x26. Het gaat erg lekker. De benen kloppen met de ademhaling. Het is stil. Zo nu en dan ga ik een wielrenner voorbij. Ook zij zullen boven komen, uitein­delijk. Een meisje staat naast haar fiets. Ze kijkt sip. Ik heb net wat meer medelijden dan wanneer ze een man was geweest. Maar niet veel. Wielrennen en medelij­den gaan niet samen.

Dit is een van de liefste dingen die ik doe. Klimmen. Als elke trap raak is, als ik totaal samenval met wat ik doe en met wie ik ben: een fietser, met malende benen vol kracht, die doen wat ik wil, het ritmisch overwinnen van de zwaartekracht.

Als ik het bos uitkom en bij Chalet Reynard links omhoog ga voor de laatste 6.5 kilometer heb ik ongeveer 59 minuten gefietst. Als ik super ben, kan ik de 1 uur 20 halen, denk ik heel even. Maar ik laat de gedachte meteen weer los en concentreer me op wat ik moet doen: rustig blijven draaien in een gelijkmatig tempo. Me niet gek laten maken. Ik ben niet super. Daarvoor heb ik veel te weinig getraind.

Ik rijd nu weer 39x23. Een man passeert me. Ik kijk verbaasd op. Dat heb ik zelden meegemaakt in een klim. Ik volg hem en als de bocht naar rechts draait en we de wind op kop krijgen, schud ik hem weer van me af. Als een lastige vlieg. Ik gun het hem zelfs niet om een tiental seconden in mijn wiel uit de wind te fietsen. Hij heeft zeker de klim vanuit Sault genomen of hij heeft gerust bij het Chalet en is toen weer met te veel enthousiasme begonnen.

Tot twee kilometer onder de top gaat alles naar wens. En dan, vanuit het niets,wordt het toch nog heel moeilijk. Plotseling is er een winderige mist met een zicht van tien, twintig meter. Kou slaat op mijn benen. Een temperatuurda­ling van minstens 20 graden. Eindelijk laat de Mont Ventouxzijn tanden zien. Ik moet nu alles aanspreken om op de kleinste versnellingdoor te blijven draaien. De rustige ademhaling verandert in een gejaagd hijgen. Zuurstof is schaars op deze hoogten. Mijn lichaam is een motor op zijn hoogste toeren­tal. Maar alle snelheid is uit mijn fiets verdwenen.

Daar! Daardoemt het bord van het restaurant op. Nog één bocht, nog dertig steile meters. Ik ben er. Een paar hongerige happen lucht en dan is het voorbij. Ik klok: 1 uur 24 minuten en 22 seconden. Ik sta in een wolk op 1919 meter, naast mijn fiets van bijna tien jaar oud en ben in de wolken. Geen euforie, maar diepe tevreden­heid. De tevreden­heid van een uitgekomen verwachting, van een ingeloste belofte. Niets meer en niets minder.

Ik neem een slok uit mijn bidon. Die is nog bijna helemaal vol. Een halve kilo te veel mee omhoog genomen. Deze klim sneller moet kunnen...

Roger komt binnen in 1 uur 29 minuten en 30 seconden. Hij is even heel kapot, maar daartussendoor bovenal erg blij. Kokhalzend, maar met het geluk in zijn ogen. Onder de 1 uur 30: de magische grens van mijn oude fiets­groepje. De tijd waar Puk en John zich keer op keer op stuk gebeten hebben.

En dan is Paul er. In 1 uur 31 minuten en 58 seconden. Mijn broer. Ik sla een arm om zijn schouder als hij uithijgt boven zijn fiets. Ik ben trotser op hem dan op mezelf. Hij rijdt voor het eerst in het hoogge­bergte. Op de Col de la Colombière was hij nog vijf keer afgestapt en kwam hij op meer dan 15 minuten van mij boven. En dat is nog geen week geleden.

's Middags rijden we nog een rondje van 45 kilometer in de buurt van Malaucène om nog een graantje mee te pikken van het prachtige Proven­çaalse landschap. De zon schijnt nu wel overvloedig. Het is heet. In de verte de Mont Ventoux. Om de top hangt een kleine dunne wolk. Hij ziet er nu bijna lieflijk uit.

Epiloog

Thuisgekomen lees ik de Mont Ventoux-passage over in De Renner van Tim Krabbé: "Het bos is het ergste. Meer dan tien kilometer lang klim je langs hellingen van wisselende steilte, maar steeds van meer dan tien procent. Een ritme vind je niet. Staan op de pedalen helpt niet en zitten in het zadel helpt niet. Drieënveertig door drieëntwintig delen is onmogelijk. Iedere gedachte rolt onmiddellijk achterwaarts je hoofd uit. Een goede tijd maken lukt niet. Je komt er op of je komt er niet op; je horloge trekt zijn eigen plan." Ik weet nu waar hij het over heeft en dat hij romantiseert. Volgens mij reed hij gewoon te zwaar: 43x23 en dan maar op 1.21.50 uitko­men. Geen wonder dat hij geen ritme vond.

Maar wat blijft er over van wielrennen zonder de romantisering?