Homepage van Cyril Lansink

Direct naar inhoud

Menu
Home
Freelansink
Cyril Lansink
Contact
Cyril Lansink
cyril.lansink@hetnet.nl
Teksten
boekrecensies
de fiets
essays/artikelen
kindergedichten
taalkruimels
weblog
interviews

Optimisme

Segerstrom, Optimisme (401 x 622) (200 x 311)Waar een pessimist het glas halfleeg ziet, ziet een optimist het halfvol. Het is een eenvoudige manier om het verschil tussen twee typen mensen aan te duiden. Dat verschil zit hem in de eerste plaats in beider perspectief op het leven. De pessimist is negatief en somber over de toekomst en ontwaart vooral beren op de weg. De optimist heeft juist positieve verwachtingen en herkent overal uitdagingen. De eerste is gefixeerd op de mislukking - ‘dat haal ik toch niet', de tweede op het succes.

Dat je beter een optimistische dan een pessimistische aard kunt hebben, is een weinig opzienbarende constatering. Liever het zonnetje in huis dan een notoire zwartkijker - niet alleen je psychische welbevinden vaart er wel bij maar ook je sociale leven: optimisten zijn prettiger en aantrekkelijker gezelschap, ook al omdat zij mensen op een positievere manier benaderen dan pessimisten. Een roze bril maakt de ander niet alleen mooier, maar haalt het mooie in die ander ook daadwerkelijk naar boven.

Het zijn niet deze nogal voor de hand liggende bevindingen die het boek Optimisme van de Amerikaanse psychologe Suzanne Segerstrom het lezen waard maken. Interessanter is dat zij overtuigend laat zien, aan de hand van veel empirisch onderzoek, dat optimist zijn vooral een kwestie is van adequaat handelen. Het glas, of het nu halfvol of halfleeg is, moet ook opgedronken en afgewassen worden. Optimisten zijn betrokken en doelgericht, laten zich niet afleiden en gaan onverzettelijk de strijd aan met obstakels. Kenmerkend voor optimisme is volgens haar niet iets zweverigs - het is geen louter positief denken - maar nuchtere gedrevenheid om concrete doelstellingen naderbij te brengen. Kort door de bocht: optimisten zijn doorzetters, pessimisten afhakers. Het positieve verwachten werkt daarom als een self-fulfilling prophecy omdat het aanzet tot meer succesbevorderend handelen. Een optimistische topsporter denkt niet alleen dat hij de beste kan worden maar vindt als vanzelf de drive om dat te bewijzen, ook en juist dan als hij tegenslagen te overwinnen heeft.

Of Segerstroms apologie van het optimisme als levenshouding en handelingsperspectief ook de pessimisten onder ons zal aanspreken, is de vraag. Hun mogelijke verwijt dat de optimist de realiteit en haar mogelijke verschrikkingen niet onder ogen wil zien, weet zij echter voor een belangrijk deel te ontkrachten. Ook de optimist besteedt aandacht aan het negatieve - kritiek, falen, onheil - maar laat zich erdoor niet uit het veld slaan.

En wat de pessimist misschien ook over de streep kan trekken: omdat optimisme minder een zaak is van iemand zijn en meer van dingen aanpakken, is er ook voor hen hoop. Segerstrom eindigt haar boek daarom met een aantal praktische tips waarmee de kniesoor zichzelf uit het moeras van zijn negatieve denkgewoonten kan halen. ‘Mensen kunnen leren optimistischer te worden door te doen alsof ze optimistisch zijn.'

Suzanne Segerstrom, Optimisme; hoe optimisten krijgen wat ze willen en wat pessimisten daarvan kunnen leren, Uitgeverij Nieuwezijds